Emissie |
Berichten uit 2004 |
De ministerraad heeft in januari op voorstel van VROM-staatssecretaris Van Geel de maximale CO2-uitstoot per sector vastgesteld. Het gaat om 112 mln. ton CO2 voor de industrie en energiesector, 7 mln. ton CO2 voor de landbouw, 38 mln. ton CO2 voor verkeer en vervoer en 29 mln. ton CO2 voor de gebouwde omgeving in 2010. De maxima zijn gebaseerd op een rapport van RIVM/ECN, die daarover overleg hebben gevoerd met de sectoren. Bij het vaststellen van de maxima is rekening gehouden met het huidige kabinetsbeleid, zoals de bestaande afspraken met de industrie en de landbouw. Met de voorgestelde maxima gaat het kabinet ervan uit dat de Kyoto-doelstelling wordt gehaald en dat de verschillende sectoren een evenwichtige bijdrage leveren. Ook de verantwoordelijkheden per ministerie zijn verdeeld. EZ is verantwoordelijk voor het halen van de klimaatdoelen van de sectoren industrie en energie; het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verantwoordelijk voor de klimaatdoelen van landbouw; het ministerie van Verkeer en Waterstaat en VROM zijn verantwoordelijk voor de klimaatdoelen van verkeer. VROM is ook verantwoordelijk voor de klimaatdoelen van de gebouwde omgeving, de overige broeikasgassen en de coördinatie van het klimaatbeleid. Het kabinetsbesluit volgt op een recent akkoord tussen de regering en de industrie (inclusief de energiesector) over emissiehandel. De sectoren krijgen 115 mln. ton CO2 toebedeeld voor de periode 2005-2007. Dit laat onverlet dat de totale emissie van deze sectoren in 2010 niet meer mag bedragen dan 112 mln. ton CO2. Het Europese emissiehandelssysteem treedt in 2005 in werking. Ter voorbereiding hiervan moet Nederland uiterlijk 1 april 2004 een plan indienen bij de Europese Commissie.
Het CPB en RIVM publiceren eind juni het rapport ‘Wat kost een emissiereductie van 30%? Daaruit blijkt dat de kosten van een mondiaal beleid om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen beperkt zijn: 0,8% van het nationale inkomen voor Nederland. Een beleid waaraan alleen de industrielanden meedoen, inclusief de Verenigde Staten en Australië, is echter zeer kostbaar: 4,8% van het nationale inkomen voor Nederland. Daarom is de deelname van ontwikkelingslanden van groot belang om de kosten van klimaatbeleid te beperken. In het rapport is naar aanleiding van een motie van VVD en CDA (motie 29 200 XI, nr. 40) berekend hoe duur het is om de uitstoot van broeikasgassen met 30% terug te brengen in 2020 ten opzichte van 1990. Een dergelijke reductie is nodig om de ‘post-Kyoto’-klimaatdoelstellingen van de EU te bereiken. In het Kyoto-akkoord is een uitstootreductie van 6% in 2012 overeengekomen, maar dat wordt gezien als slechts een eerste stap in de terugdringing van broeikasgassen.
In juli blijkt dat de emissies van broeikasgassen in de 15 ‘oude’ EU-lidstaten afnemen. De emissies van de 6 broeikasgassen die in het Kyoto Protocol worden genoemd, zijn in 2002 met 0,5% gedaald. De belangrijkste reden is de overgang van kolen naar gas en minder uitstoot door de industrie en huishoudens. De emissies van de 6 broeikasgassen namen in 2000 en 2001 toe met respectievelijk 0,2 en 1,3%. Ten opzichte van het Kyoto referentiejaar 1990 zijn de emissies met 3% afgenomen. Daarmee lopen de Pegulanten wel achter op schema. Volgens het lineaire pad naar de Kyoto-doelstelling (8% emissiereductie in de periode 2008-2012), had de emissiereductie in 2002 4,8% moeten zijn. Slechts 4 landen, Frankrijk, Duitsland, Zweden en Engeland, liggen wat dat betreft op schema, zonder gebruik te maken van handelsmechanismen. De andere lidstaten lijken hun doelstelling niet te gaan halen. Vooral voor Spanje, Portugal, Ierland, Australië, Italië, Denemarken en Griekenland is het gat groot. In Nederland daalde de broeikasgasemissies in 2002 met 1,1% ten opzichte van 2001. Vergeleken met het Kyoto referentiejaar 1990 lagen de emissies in 2002 0,6% hoger. De doelstelling voor Nederland is een reductie van 6%.
VROM-staatssecretaris Van Geel heeft in juli in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat de omvang van CO2-uitstoot voor de sector glastuinbouw is verbreed. Als het aantal kashectare glastuinbouw hetzelfde blijft, blijft ook de nieuwe emissieruimte voor 2010 binnen de voorgeschreven Kyoto-afspraken. Nederland moet volgens dat Protocol de uitstoot met 6% hebben teruggebracht. In de landbouw wordt daarbij gestreefd naar een maximale uitstoot van 7 Mton in 2010. De CO2-uitstoot in de glastuinbouw mag in dat jaar niet meer bedragen dan 5,6 Mton. Door de liberalisering van de energiemarkt moeten tuinders nu echter zelf warmte opwekken. De CO2 die hierbij vrijkomt, valt onder de glastuinbouw. Daarom heeft Van Geel besloten de emissieruimte te verhogen naar 6,5 Mton. Het aantal hectare aan tuinkassen moet dan wel op de huidige 10.500 blijven. De staatssecretaris sluit in zijn brief niet uit dat hier nog 1000 hectare bijkomt, waardoor de maximale uitstoot mag worden verhoogd naar 7,1 Mton.
Volgens een mededeling van de Europese Commissie in december liggen de EU en de meeste lidstaten op schema met de reductie van CO2. De gemiddelde uitstoot in Europa is nu 9% lager dan in 1990 en dat is zelfs beter dan de Kyoto doelstelling van 8% rond 2010. West-Europese landen liggen met 2,9% nog achter bij de meeste Oost-Europese landen. De verwachting is dat West-Europa uitkomt op een gemiddelde van 8,6% in 2010.
Een speciale VN-commissie heeft het eerste klimaatproject goedgekeurd dat door Nederland mag worden benut om de Kyoto-doelstellingen te realiseren. Het Novogerar-project in Rio de Janeiro moet in 21 jaar bijna 12 mln. ton CO2 uitstootreductie opleveren. VROM-staatssecretaris Van Geel, die in Zuid-Amerika op werkbezoek is, toont zich verheugd over dit goede nieuws. Via deze projecten werkt Nederland aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Bovendien worden in dit project de milieudoelstellingen gecombineerd met het creëren van werkgelegenheid voor de lokale bevolking. Het ‘Novogerar Landfill Gas to Energy’ project is een vuilstortplaats waar met behulp van Nederlandse investeringen gassen uit de vuilnisbelt worden opgevangen en gebruikt om energie mee op te wekken. Dit resulteert uiteindelijk in een reductie van de CO2-uitstoot van 11,8 mln. ton in de komende 21 jaar. Jaarlijks zal er via het project 12 MW energie worden opgewekt. Bewoners van de regio die tot nu toe op de vuilstortplaats actief waren met het zoeken van bruikbare materialen, zullen gedeeltelijk door de projectorganisatie worden aangenomen om in het project te werken. Nederland heeft zich in 1997 in het Kyoto-protocol verplicht om de uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008-2012 met 6% terug te dringen ten opzichte van 1990. Een aanzienlijk deel van deze opgave moet worden gerealiseerd in eigen land, maar 100 Mton kan via speciale projecten in het buitenland worden gerealiseerd. De Clean Development Mechanism projecten zoals Novogerar zijn daar een voorbeeld van. De CDM projecten zijn goed voor in totale beoogde reductie van 67 ton. Naast Brazilië heeft Nederland afspraken voor CDM projecten in Panama, Honduras, Colombia, Costa Rica, Guatemala, El Salvador, Uruguay, Nicaragua, Bolivia en Indonesië.