Elektriciteitsmarkt

Berichten uit
2004

DTe heeft in februari een informatie- en consultatiedocument gepubliceerd over decentrale opwekking van elektriciteit (DCO). Daaronder wordt verstaan elektriciteit die rechtstreeks wordt ingevoed op de regionale elektriciteitsnetwerken. DTe heeft onderzocht wat de effecten van de toename van decentrale opwekking zijn op de inrichting van het elektriciteitsnetwerk. Kern van het informatie- en consultatiedocument is in hoeverre de huidige regelgeving aangepast dient te worden, zodanig dat kosten en besparingen die DCO met zich meebrengen juist worden toegerekend aan de netbeheerders en de DCO-exploitanten. Tot 19 maart kunnen belanghebbenden reageren. Eén van de voorlopige conclusies van DTe is dat een toename van het opgesteld vermogen aan DCO niet altijd leidt tot een besparing op de kosten van het hoogspanningsnetwerk doordat dit lichter uitgevoerd zou kunnen worden. Daarvoor is ook zekerheid rond de daadwerkelijke inzet van DCO nodig. Deze zekerheid is er niet, zowel niet wat betreft de verwachte ingediende E-programma’s als wat betreft het gebalanceerd uitvoeren van de E-programma’s. Verder zouden er volgens DTe in de regelgeving prikkels moeten komen die ervoor zorgen dat DCO’s worden aangesloten op het meest optimale netvlak.

DTe heeft op 26 februari 2004 een voorstel ontvangen van de gezamenlijke netbeheerders tot wijziging van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31, lid 1 sub c, van de Elektriciteitswet 1998 (de Systeemcode). Hiermee worden wijzigingen in de bestaande Systeemcode doorgevoerd op het gebied van de leveringszekerheid. Deze zgn. SLR-regeling gaat onder meer over de uitoefening van programmaverantwoordelijkheid, de overdracht en beëindiging daarvan en het voorzien in (nood-)programmaverantwoordelijken ingeval van surseance van betaling en faillissement. Zienswijzen over het voorstel kunnen naar voren worden gebracht bij de DTe.

Om een gelijk speelveld te creëren voor elektriciteitsproducenten binnen Europa, heeft DTe in mei besloten het Landelijk Uniform Producenten transporttarief (LUP) met ingang van 1 juli 2004 onder de huidige marktcondities op nul vast te stellen. Momenteel moeten Nederlandse elektriciteitsproducenten via het LUP 25% betalen van de kosten van het Nederlandse hoogspanningsnet (110 kV en hoger). De overige 75% van de kosten van het hoogspanningsnet wordt betaald door de eindverbruiker via de transporttarieven. Het LUP is in 2000 ingevoerd in de veronderstelling dat uiteindelijk alle EU-lidstaten een soortgelijk tarief voor producenten zouden invoeren. Echter is volgens DTe gebleken dat landen waarmee Nederland de meeste elektriciteitshandel drijft (België, Frankrijk en Duitsland) geen substantieel transporttarief voor producenten heeft ingevoerd. Daardoor hebben Nederlandse elektriciteitsproducenten een concurrentienadeel. Door het nihiltarief voor het LUP wordt dit concurrentienadeel weer opgeheven en wordt de marktwerking op productiegebied verbeterd, aldus DTe.

De strekking van het zogenaamde door DTe in mei uitgebrachte ‘Standpuntendocument DCO’ (decentrale opwekking van elektriciteit), is dat decentrale opwekkers, waaronder WKK’s en windparken, een vergoeding moeten krijgen voor het feit dat hun activiteit zorgt voor een vermindering van de netverliezen op het landelijke hoogspanningsnet. Deze vergoeding zou volgens DTe per kWh aan de DCO’s moeten worden uitgekeerd door de regionale netbeheerders, die deze vergoedingen zelf weer kunnen innen bij TenneT, de beheerder van het hoogspanningsnet. In de reacties op het Informatie- en Consultatiedocument DCO, dat DTe in februari had gepubliceerd over dit onderwerp, werd door verschillende respondenten naar voren gebracht dat bijvoorbeeld windenergie (niet stuurbaar en veelal gelegen in buitengebieden) en WKK (wel stuurbaar) niet over één kam kunnen worden geschoren. Dat zou een verschillende behandeling van deze vormen rechtvaardigen. Ook zou er verschil in de vergoeding denkbaar zijn naar gelang de momentane netbelasting. Een hoge netbelasting leidt tot relatief grote verliezen, dus op piekuren zou een hogere vergoeding per kWh voor vermeden verliezen denkbaar kunnen zijn.

Aan de hand van reacties en ervaringen van afnemers en netbeheerders met de huidige TarievenCode, heeft DTe in augustus een gewijzigde TarievenCode openbaar gemaakt. Zo is onder meer een regeling opgenomen met betrekking tot de door de netbeheerder te hanteren tarieven voor openbare verlichting en overig straatmeubilair zoals bushokjes. Daarnaast moet de netbeheerder een gespecificeerde rekening opmaken bij de aanleg van niet-standaard aansluitingen, zoals bij grote bedrijven, zodat afnemers kunnen controleren welke werkzaamheden zijn verricht. Met dit besluit is een intensief evaluatieproces, dat meer dan een jaar heeft geduurd, afgerond. Dit najaar volgt nog een aantal wijzigingen om de TarievenCode in lijn te brengen met het nieuwe reguleringsregime voor de tweede reguleringsperiode per 1 januari 2004. Met ingang van 1 januari 2004 zullen de netbeheerders met de aangepaste Tarievencode gaan werken.

In de Beleidsregel Procedure Geschillen Energie die in september door de DTe is gepubliceerd staat dat energieleveranciers die naar DTe stappen met een klacht over manier waarop een netbeheerder te werk gaat, in principe binnen twee maanden de uitspraak van de DTe te horen krijgen. Sinds het van kracht worden van de Interventie en Implementatiewet is de bevoegdheid voor het behandelen van klachten over de energiesector doorgeschoven van de NMa naar dochter DTe. Die klachten kunnen gaan over het niet tijdig of volledig verstrekken van informatie, over tarieven of aansluitingen op het net. Nieuw is de termijn van acht weken waarbinnen uitspraak wordt gedaan. Na het indienen laat de toezichthouder binnen een week weten of hij die klacht in behandeling neemt. Als de DTe dat wil, kan het meerdere aanvragen die betrekking hebben op een bepaalde netbeheerder samenvoegen. Bij een spoedprocedure kan de toezichthouder deze termijnen inkorten, bijvoorbeeld bij een dreigend faillissement. Terwijl de procedure loopt, kan de DTe al een voorlopige maatregel nemen om het geschil op te lossen. De beleidsregel is niet alleen van toepassing voor klachten die door leveranciers worden ingediend, maar ook door bedrijven of kleinverbruikers die een conflict hebben met de netbeheerders.

In het in september uitgebrachte document ‘Visie van DTe op marktintegratie met Europese elektriciteitsmarkten’, stelt DTe dat de dominante speler in de Benelux een mogelijk struikelblok is voor concurrentie in de regionale markt van Noordwest-Europa. Hoewel de naam van de dominante speler niet wordt genoemd moet worden aangenomen dat DTe doelt op het Belgische Electrabel. De toezichthouder heeft een voorkeurvoor de totstandkoming van een regionale markt in noordwest Europa, vooral voor de koppeling met Duitsland en België. Er zijn al gevorderde plannen voor marktkoppeling met de buurlanden, maar toch is het volgens DTe noodzakelijk dat Electrabel zijn marktaandeel verkleint om een meer concurrerende markt te krijgen. DTe stelt verder dat de verwachtingen van toename van de crossbordercapaciteit bij elke marktkoppeling in de toekomst niet te hoog moeten zijn.

Energiebedrijf Nuon heeft in september de veiling van 200 MW aan elektriciteitscapaciteit afgerond. De totale opbrengst van de elektronische veiling was ruim 16 mln. euro. De veiling was een eis van de NMa. Er waren 29 bieders, waarvan 7 partijen een of meer blokken van 10 MW hebben gekregen. Nuon moest de capaciteit veilen wegens de overname van de Nederlandse centrales van het Amerikaanse Reliant (3500 MW). In eerste instantie zou 900 MW geveild moeten worden voor 5 jaar. Na een kort geding dat door Nuon werd gewonnen, werd dat 900 MW voor één jaar en na de verkoop van Nuon aan Eneco van de stroom van de nieuwe Rijnmond energiecentrale werd dat 200 MW voor één jaar.

Naar aanleiding van een onderzoek door KPMG wil DTe in oktober dat de opzet en toepassing van het leveranciersmodel op de kleinverbruikersmarkt wordt aangepast. Uit het onderzoek blijkt dat het huidige leveranciersmodel risico’s bevat voor de concurrentie tussen leveringsbedrijven op de kleinverbruikermarkt. Het leveranciersmodel houdt in dat de afnemer een rekening krijgt van zijn leverancier, waarin niet alleen de leveringskosten zijn opgenomen, maar ook de kosten van de netbeheerder. DTe hecht veel waarde aan het bestaan van het leveranciersmodel in de kleinverbruikermarkt omdat dit model het voor de afnemer mogelijk maakt te switchen van leverancier zonder 2 aparte rekeningen te krijgen.

In oktober wordt bekend dat DTe regionale beheerders van de elektriciteitsnetten financieel gaat belonen of bestraffen voor de kwaliteit van hun netwerken. DTe voert de kwaliteitsregulering met terugwerkende kracht in vanaf 1 januari 2004. Netbeheerders die vanaf deze datum meer onderbrekingen hebben dan de door DTe vastgestelde norm moeten lagere tarieven aan hun afnemers berekenen: vanaf 2007 maximaal 5% op het transportdeel van de stroomrekening over het voorafgaande jaar. Scoort een netbeheerder beter dan de norm, dan mag hij zijn tarieven verhogen met maximaal eenzelfde percentage. De norm voor het aantal storingsminuten wordt jaarlijks door DTe vastgesteld. De storingsnorm die de DTe hanteert hangt af van het gemiddeld aantal storingsminuten van alle netbeheerders. De mate van tariefaanpassing is gebaseerd op de schade die consumenten bij een onderbreking ondervinden. Op deze manier kunnen netbeheerders extra investeringen financieren, mits deze een betere kwaliteit opleveren. DTe is de eerste energietoezichthouder in Europa die deze vorm van economische regulering invoert.



Terug naar thema Elektriciteits- en gasmarkt 2004