Stroomstoringen

Berichten uit
2004

Pier Nabuurs, de algemeen directeur van technisch adviesbureau Kema, beweert in februari dat de kans op een grote stroomstoring in Europa toeneemt. Het groeiende aantal grensoverschrijdende stroomtransporten wordt mede veroorzaakt door de liberalisering van de Europese markt en daardoor worden de netten meer belast. Tegelijkertijd hebben de geprivatiseerde netbeheerders steeds minder neiging om elkaar te informeren. Volgens Nabuurs heeft de grote stroomstoring in Italië, eind september 2003, de gebreken van de Europese stroomvoorziening blootgelegd. De Europese stroomnetbeheerders concludeerden na onderzoek dat de storing in Italië zich makkelijk had kunnen uitbreiden naar heel Europa.

Uit cijfers van EnergieNed blijkt in maart dat het aantal geregistreerde storingen met 14% is toegenomen tot 16.727. In 2002 nam het aantal onderbrekingsmeldingen met een vergelijkbaar percentage toe. Volgens EnergieNed is de stijging vooral toe te schrijven aan een betere registratie en niet zozeer aan een toenemende frequentie van storingen. Graafwerkzaamheden blijven de belangrijkste oorzaak van onderbrekingen. Werkzaamheden in de grond treffen vooral de laagspanningsnetten, ook wel de haarvaten van het systeem genoemd. In deze leidingen vonden afgelopen jaar veruit de meeste onderbrekingen plaats: 87% van het totale aantal. In het landelijk hoogspanningsnet dat TenneT beheert, heeft zich in 2003 geen enkele stroomonderbreking voorgedaan. Het net was vorig jaar 99,2% van de totale tijd volledig beschikbaar voor elektriciteitstransport. In de resterende tijd pleegde TenneT onderhoud aan de lijnen, aldus de netbeheerder. Het hoogspanningsnet wordt gebruikt voor het transport van grote hoeveelheden elektriciteit over grote afstanden, tussen steden, regio’s en met het buitenland. TenneT beheert de transportnetten van 380 en 220 kV.

In april publiceert de energietoezichthouder DTe de resultaten van een onderzoek naar stroomuitval dat is uitgevoerd door de Stichting voor Economisch Onderzoek onder 12.400 huishoudens en 2500 kleine en middelgrote bedrijven. Huishoudens zijn gemiddeld € 3 per jaar kwijt aan schade door stroomuitval. Voor kleine en middelgrote bedrijven zijn de kosten van stroomuitval € 34. Uit het onderzoek komt ook naar voren dat kleinverbruikers samen jaarlijks voor € 50 mln. schade lijden door onderbrekingen in de stroomtoevoer. Bij de berekening van de schadepost gaan de onderzoekers uit van een stroomuitval van 30 minuten per jaar, een gemiddelde dat de Nederlandse federatie van energiebedrijven EnergieNed eerder dit jaar heeft vastgesteld.

In een in mei gepubliceerd rapport van PricewaterhouseCoopers staat dat negen van de tien Europese energiebedrijven geloven dat stroomuitval zich zal blijven voordoen door het gebrek aan investeringen in netwerken en nieuwe productie-eenheden. Volgens de onderzoekers van PwC volgen de bevindingen uit de serie flinke stroomstoringen die in de zomer van 2003 een aantal Europese landen parten speelde. Uit het onderzoek blijkt ook dat de zekerheid van de energievoorziening de grootste zorg was geworden voor ‘utilities’ wereldwijd. Er zijn enorme bedragen nodig voor het vervangen van de oude stroomnetwerken.

Eind 2003 heeft de Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) onder haar leden een onderzoek uitgevoerd naar de voorzieningen die zakelijke afnemers hebben getroffen om stroomstoringen te kunnen opvangen. Uit de resultaten van het in mei gepubliceerde onderzoek blijkt dat waar mogelijk afnemers hun verantwoordelijkheid hebben genomen om stroomonderbrekingen te ondervangen, maar dat blijkt echter onvoldoende te zijn om alle stroomonderbrekingen probleemloos op te vangen. De betrouwbaarheid van het net is en blijft daarom cruciaal voor afnemers, aangezien storingen leiden tot grote schadeposten bij afnemers. De meeste industrieën echter geven aan géén voorzieningen te hebben getroffen om bij calamiteiten de continuïteit van de stroomvoorziening veilig te stellen, omdat investeringen in voorzieningen bij deze groep in bepaalde gevallen bedrijfseconomisch niet verantwoord zijn. De investeringen die wel gedaan zijn, zijn gericht op veilige procesbeëindiging in geval van stroomonderbrekingen. In de categorie publieke gebouwde omgeving (overheid, onderwijs, onderzoek en zorg) worden door veel afnemers voorzieningen getroffen waarmee de gehele stroomvoorziening kan worden opgevangen. Wel maken de respondenten duidelijk dat storingen tot kosten leiden. Voldoende waarborging van de kwaliteit en capaciteit van netten en het op peil houden van elektriciteitsproductiecapaciteit is dan ook noodzakelijk om economisch inefficiënte investeringen aan de zijde van de afnemer te voorkómen en de hoge kosten van storingen te beperken.

In juni publiceert het CPB de studie ‘Capacity to spare? A cost-benefit approach to optimal spare capacity in electricity production’ over de risico’s van stroomstoringen. Om het risico van stroomstoringen in de vrije markt te verminderen, moet de overheid reservecapaciteit contracteren bij private stroomproducenten. De kosten hiervoor bedragen circa € 43 mln. per jaar. Volgens het CPB is de kans groot dat er in de vrije markt bij piekvraag productietekorten ontstaan die leiden tot grote stoomstoringen. De overheid moet om die reden zorgen voor noodcapaciteit. Echter, maatregelen die moeten voorkomen dat we zonder stroom, gas of olie komen te zitten zijn dermate duur, dat het goedkoper is het risico van de schade van het uitvallen van stroom of gas te accepteren. Het CPB concludeert dat overheden terughoudend moeten zijn bij maatregelen als het vergroten van strategische olievoorraden, het subsidiëren van biobrandstoffen of een verplichting aan stroombedrijven om een bepaalde reservecapaciteit aan te houden. De kosten zijn veelal hoger dan de baten. Een betere manier om met de risico’s om te gaan is te zorgen dat de markt goed werkt.

De Technische Universiteiten van Delft en Eindhoven maken in juli melding van een simulatiesysteem waarmee veranderingen in de vraag en het aanbod van elektriciteit kunnen worden onderzocht. Inzicht in deze veranderingen zijn van belang om stroomstoringen tegen te gaan. De zogenaamde RTDS (Real Time Digital Simulator) is een van de grootste installaties ter wereld die voor een dergelijk onderzoek in gebruik is. Vorig jaar tekenden beide universiteiten al een samenwerkingsovereenkomst voor de aanschaf van de simulator. Die kostte € 1 mln. en wordt uit het apparatenfonds van het Ministerie van EZ betaald.

In december publiceren het CPB en het onderzoeksbureau SEOR de studie ‘Better safe than sorry? Reliability policy in network industries’. Aanleiding voor deze studie zijn de zorgen die in de maatschappij leven over de mogelijke gevolgen van marktwerking voor de betrouwbaarheid van netwerksectoren. Betrouwbaarheid is hier immers van groot belang: dodelijke ongelukken op het spoor, twijfels over de beschikbaarheid van schoon water of langdurige stroomuitval kunnen voor aanzienlijke maatschappelijke schade zorgen. Het zal vaak te duur zijn om absolute betrouwbaarheid te realiseren door storingen of aantasting van de kwaliteit van het getransporteerde product volledig uit te sluiten. De kosten om dat niveau van betrouwbaarheid te bereiken zullen veelal hoger zijn dan de baten van het uitsluiten van alle storingen of aantasting van de kwaliteit in het telefoonverkeer, de elektriciteits- of schoonwatervoorziening of in de dienstregeling van de spoorwegen. Frequente of langdurige onbetrouwbaarheden kunnen daarentegen tot hoge maatschappelijke kosten leiden.



Terug naar thema Elektriciteits- en gasmarkt 2004