Wind op land |
Berichten uit 2004 |
De aanleg van een van de grootste windmolenparken van Europa, bij Delfzijl, lijkt in januari vrijwel zeker. De Raad van State verklaarde de bezwaren tegen de bouw ongegrond. Het consortium dat het park gaat bouwen, spreekt van een mijlpaal. Het gaat in de uitspraak om 34 windmolens met een vermogen van 1,5 MW ten zuiden van Delfzijl.
Volgens Wind Service Holland (WSH) blijkt in januari dat in Nederland windturbines steeds minder stroom produceren, omdat er minder wind is. WSH heeft berekend dat er de laatste 17 jaar 10% minder wind is. 2003 was een absoluut rampjaar voor de windenergie. De productie lag in 2004 22% onder het langjarig gemiddelde. Niet alleen Nederlandse, maar ook andere windmolenexploitanten in Duitsland, Spanje, Denemarken en Zweden hebben daar last van.
Cijfers van de Europese Wind Energie Associatie (EWEA) wijzen in februari uit dat de capaciteit aan windenergie in Europa in 2003 met bijna een kwart is uitgebreid. De groei van 23% deed zich bijna uitsluitend voor in de landen waar al veel windmolens staan: Duitsland, Spanje en Denemarken. Deze landen leveren nu 84% van de totale windenergie in de vijftien EU-landen. Nederland staat op de vijfde plaats in Europa, wat betreft de capaciteit aan windmolens. Ons land kan 873 MW leveren van de totale 28.401 MW in de Europese Unie. De capaciteit in Nederland groeide in 2003 met bijna 200 MW.
Het Nationaal Kritisch Platform Windenergie wordt in maart opgericht en voorspelt een stortvloed aan schadeclaims bij gemeenten vanwege de bouw van windmolens. Vooral Noord-Hollandse gemeenten krijgen hiermee te maken. Er wordt nog gewacht op een uitspraak van de Hoge Raad waarmee de hoge leges die gemeenten heffen bij een planschade worden verboden. Het voeren van een planschade-procedure wordt door gemeenten vrijwel altijd uitbesteed aan bureaus. Een dergelijke procedure kost de lokale overheid al snel € 1500. Met de leges of het remgeld willen gemeenten daarom bezwaarmakers afremmen een procedure te starten.
In verschillende provincies als Zeeland, Gelderland en Utrecht wil het niet vlotten met het opzetten van windparken. Alleen Flevoland pakt windenergie voortvarend aan: daar is al bijna 2 keer meer windvermogen gerealiseerd dan aanvankelijk in de planning lag. Volgens een medewerker van de Stichting Natuur en Milieu nemen veel provincies de doelstellingen voor windenergie weliswaar serieus, maar uiteindelijk moeten de gemeenten de vergunningen voor windparken afgeven. In 2001 sloten 5 ministeries, de provincies (IPO) en gemeenten (VNG) de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) af. Daarin is afgesproken dat de provincies in 2010 1500 MW aan windenergie zullen hebben gerealiseerd. Voor elke provincie geldt een eigen doelstelling. Dit jaar komen zij gezamenlijk boven de 1000 MW uit, waarbij Flevoland absolute koploper is met 399 MW (doelstelling was 200 MW). Noord-Holland heeft al 181 van de afgesproken 205 MW gerealiseerd. Zeeland heeft echter nog maar 57 van de 205 MW, Gelderland 1 van de 60 en Utrecht 0,2 van de 50.
In juni melden enkele deskundigen en een lid van het Nederlandse parlement dat uit cijfers van het Enschedese bedrijf Groenraedt, bouwer van windmolenparken, blijkt, dat de Belastingdienst miljoenen euro’s misloopt door onregelmatigheden bij de financiering van windmolenparken. De door Groenraedt gebouwde parken zijn dubbel zo duur als normaal, waardoor verleende subsidies hoger zijn en de fiscus miljoenen misloopt. PvdA-kamerlid Samsom wijst erop dat voor de energieinvesteringsaftrek (EIA) dit jaar maximaal € 169 mln. beschikbaar is en dat maximum zal door het vermeende misbruik al halverwege het jaar zijn bereikt. De Belastingdienst zou inmiddels een intern onderzoek gestart zijn naar de subsidietoekenning en belastingaftrek. Groenraedt ontkent de aantijgingen en stelt dat het bedrijf zeventien windmolens heeft gebouwd met een gezamenlijk vermogen van 15 MW voor een bedrag van € 28,3 mln. en dat is twaalf mln. duurder dan wordt aangegeven door een vuistregel van ECN. Groenraedt verkoopt de windmolens voor ongeveer tweemaal de marktprijs door aan een zelf opgerichte maatschap met participerende beleggers. Die kunnen vervolgens de investering van hun maatschap in de molens voor een 52%-tarief van hun inkomstenbelasting aftrekken. Directeur Marcel Bovenmars van Raedthuys & Partners, waarvan Groenraedt een dochter is, beweert dat er te snel is geoordeeld over de werkwijze van Groenraedt. Het financiële model is overgenomen uit Duitsland, waar 85% van de windmolens op die manier zijn gebouwd. De hoge kosten vloeien onder meer voort uit de ontwikkelingskosten voor windturbines. Groenraedt treedt op als projectontwikkelaar, zoekt locaties en levert de complete infrastructuur van windmolenparken. Zusterbedrijven binnen de Groep benaderen particuliere investeerders, die via een maatschap participeren in de parken. Bovenmars wijst erop dat voor ieder project afspraken worden gemaakt met de belastingdienst.
Eind juli bepaalt de rechter in een kort geding dat de directeur van windprojectontwikkelaar Evelop de aantijging dat concurrent Groenraedt subsidie ‘misbruikt’ moet terugnemen. Eerder sprak het PvdA-kamerlid Samsom al van ‘fraude’ door Groenraedt. Hoewel de PvdA-er die kwalificatie later terugnam, blijft hij spreken van misbruik. De Evelop-directeur en Samsom denken dat windenergie van Groenraedt kunstmatig dubbel zo duur wordt gemaakt om extra fiscale aftrek te creëren. Volgens de rechter heeft de Evelop-directeur hier onvoldoende aanwijzingen voor. Hij moet de uitlatingen in het Financieele Dagblad rectificeren.
Uit cijfers van het CBS die in juni worden gepresenteerd blijkt het aantal boeren met nevenactiviteiten toe te nemen. Vooral huisverkoop van eigen boerderijproducten, caravanstalling en het verhuren van verblijfsaccommodatie zijn in trek. Ook houden steeds meer boeren zich bezig met de productie van energie m.b.v. windturbines. Vooral in Flevoland is het produceren van windenergie populair. In totaal wordt er op bijna 500 boerenbedrijven windenergie opgewekt. 40% van die windmolens staat bij Flevolandse boerenbedrijven.
Uit het onderzoek van Brian Boer, die op 2 juli is afgestudeerd aan de TU Delft, blijkt dat dalen in de productie van windenergie kunnen worden opgevangen door kernenergie. Om de wisselende opbrengst van windenergie op te vangen, wordt tot op heden fossiele energie gebruikt als aanvulling. Door de combinatie van kernenergie en windenergie zou de landelijke CO2-uitstoot aanzienlijk beperkt kunnen worden. Naast deze milieuwinst is de combinatie van beide bronnen ook nog eens commercieel aantrekkelijk. Boer onderzocht met name of een hogetemperatuurreactor (HTR) flexibel ingezet kan worden om in combinatie met windenergie een constante energieproductie voor de afnemers te waarborgen. Daarnaast ging hij na of dit commercieel en technisch haalbaar is. De energieproductie van de HTR kan snel worden aangepast aan de wisselende productie van een groot off-shore windpark. Inzet van de reactor als achtervang voor windenergie is daarom in technisch opzicht geen probleem. De economische haalbaarheid is berekend door de kosten van beide energiebronnen te vergelijken. De kosten van energie geproduceerd met behulp van kernenergie en windenergie worden berekend tussen de € 46 en € 56 per MWh. Het produceren van dezelfde hoeveelheid energie met behulp van traditionele fossiele energie kost tussen de € 52 en € 63 per MWh.
Ruim drie jaar later dan gepland is de 1000 MW windvermogen in augustus 2004 gerealiseerd. In 1986 begon de stimulering van windenergie door het Ministerie van EZ. Het Nederlandse windvermogen is geconcentreerd gebouwd in een klein aantal regio’s. Vijf gemeenten produceren ruim de helft (57%) van alle windstroom. De vier windmolenrijkste provincies produceren samen 84% van alle windstroom. Het grootste windpark van Nederland (Rotterdam, Slufterdam) produceert 5% van het totaal. De toename van het vermogen is tot voor kort zeer traag verlopen met gemiddeld 20-40 MW per jaar. In 1995 was er een uitschieter met 100 MW als gevolg van een inhaalactie bij het toekennen van investeringssubsidies. Vanaf 2002 is de toename ruim 200 MW per jaar. Ook voor de komende jaren mag gemiddeld een dergelijke toename verwacht worden. Belangrijk hierbij is het gereedkomen van twee windparken op de Noordzee (samen 220 MW). Vooral de laatste jaren is de productie per windturbine sterk toegenomen. In 1987 leverden de eerste turbines aan de kust 200.000 kWh per jaar. De grootste Nederlandse turbine in de Wieringermeer levert nu het 2-voudige. De gemiddelde productie per nieuwe turbine is vooral sinds 1994 sterk toegenomen, van 500.000 kWh per jaar naar nu ruim 3 mln. kWh per jaar. Momenteel wordt gestreefd naar een vermogen van 1500 MW op landlocaties in 2010. Het ziet er naar uit dat de 1500 MW tijdig gerealiseerd zal worden. Ook voor offshore is de doelstelling van 6000 MW in 2020 zeer bescheiden.
Het ministerie van Financiën meldt in september dat de subsidieregels voor windenergieprojecten worden aangescherpt. Dat gebeurt naar aanleiding van de kwestie Groenraedt. Groenraedt, een investeringsmaatschappij werd er eerder dit jaar van beschuldigd, dat men door handige in- en verkoopconstructies te veel subsidie voor de bouw van windturbineprojecten had opgestreken. Gesproken werd van misbruik van de zogenoemde Energie InvesteringsAftrek (EIA). Groenraedt zou gekochte windmolens eerst voor een veel hogere prijs hebben doorverkocht aan een eigen BV, om daarna op basis daarvan een investeringssubsidie aan te vragen. Hoewel er door het ministerie van Financiën op wordt gewezen dat de regeling intensief wordt gecontroleerd, zitten er mazen in de regels zitten, die het mogelijk maken meer subsidie te krijgen dan de bedoeling is. De ministeries van Financiën en EZ hebben nu afgesproken dat er een maximum subsidiebedrag komt per gerealiseerd kW-vermogen aan windenergie.
In november antwoordt EZ-minister Brinkhorst op vragen van de PvdA en GroenLinks over afspraken met de regio’s over de plaatsing van nieuwe windmolens. Hij benadrukt dat de afspraken voor de plaatsing van zo’n 1500 extra windmolens in Nederland, vastgelegd in de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling van Windenergie (BLOW), niet vrijblijvend zijn. Eind 2010 zouden de nieuwe windmolenparken gereed moeten zijn. De D66-fractie in de provincie Utrecht keerde zich onlangs echter tegen het plaatsen van nieuwe turbines in die regio naar aanleiding van het voornemen van Brinkhorst om het verbod op windmolens op zee af te schaffen. Daardoor ontstaat volgens de democraten zoveel extra capaciteit dat de projecten op land niet meer noodzakelijk zijn. Bovendien is ondertussen duidelijk geworden dat bewoners aanmerkelijke overlast zullen ondervinden van de geplande nieuwe windmolens, aldus de regiofractie. Volgens Brinkhorst geven zijn partijgenoten in Utrecht een verkeerde voorstelling van zaken. Hij stelt dat de extra turbines in de provincies wel degelijk nodig zijn om de doelstelling van 9% duurzaam elektriciteitsverbruik in 2010 in Nederland te halen, ook al verrijzen er op termijn nieuwe parken op het water. Windmolens op zee zullen volgens de minister pas na 2010 een flinke bijdrage aan de productie van duurzame energie kunnen leveren.
Windenergie ontziet het leefmilieu, bespaart op de globale voorraden fossiele brandstoffen en maakt de mens minder afhankelijk van de oliepolitiek. Dit zijn de overbekende, maar genuanceerde, argumenten die in het boekje ‘Alles in de Wind’ naar voren gebracht worden om de toepassing van windenergie te stimuleren. In de nieuwe uitgave, die in december door het ECN is uitgegeven, worden weer enkele kerngegevens op een rijtje gezet. Daarmee draagt het boekwerkje bij aan het debat over de toepassing van windenergie in Nederland. Na de eerste uitgave van het boekje ‘Alles in de Wind’ uit 2001, lijkt de toepassing van windenergie terecht te zijn gekomen in een maatschappelijke controverse. Waren er vroeger actiegroepen vóór plaatsing, nu zijn er ook actiegroepen tégen plaatsing van windturbines.