Transportnetten

Berichten uit
2005

De Europese federatie van netbeheerders van nationale transportnetten voor elektriciteit (UCTE), waar TenneT onderdeel van uitmaakt, heeft in januari het rapport ‘UCTE system adequacy forecast 2005-2015‘gepubliceerd met voorspellingen over de voorzieningszekerheid van elektriciteit in Europa in de komende 10 jaar. In dit rapport stelt de UCTE dat de voorzieningszekerheid in het gebied van de betreffende netbeheerders tot 2010 zal verminderen, maar op een acceptabel niveau zal blijven. Het rapport gaat ook in op de verwachte ontwikkelingen in Nederland. Voor 2 verschillende scenario’s zijn voorspellingen gemaakt. Bij een ‘conservatief investeringsscenario’ laten de cijfers zien dat Nederland in 2010 niet meer zelfvoorzienend kan zijn. In dat geval is de Nederlandse elektriciteitsvoorziening afhankelijk van import uit het buitenland. Uitgaande van een ‘best estimate’ scenario zal Nederland in 2010 wél zelfvoorzienend kunnen zijn, en pas in 2015 afhankelijk zijn van import. De systeembalans in Nederland kan zonder problemen door marktpartijen zelf gehandhaafd worden en er zijn geen indicaties dat de nationale reserve in de toekomst dient te worden vergroot of verkleind.

Op verzoek van EZ-minister Brinkhorst ontwikkelt netwerkbeheerder TenneT, in samenwerking met de DTe en het Centraal Planbureau (CPB), een vangnet voor de leveringszekerheid van elektriciteit. Hierover heeft in februari een marktconsultatie plaatsgevonden. Het vangnet houdt in dat TenneT meer vermogen dan voorheen zal contracteren dat binnen een korte oproeptijd kan worden ingezet, om zo beter de leveringszekerheid te kunnen waarborgen tijdens extreme crisissituaties. Het effect is enerzijds dat TenneT dan meer vermogen beschikbaar heeft om calamiteiten op te vangen en anderzijds dat een prikkel tot investeringen in productievermogen aan marktpartijen wordt gegeven. Het gaat daarbij niet alleen om afschakelbaar vermogen maar ook om snel opregelbaar vermogen. Uit analyse is gebleken dat beide even effectief zijn om als vangnet te dienen. Een groot aantal partijen zal dit vermogen kunnen aanbieden zodat naar verwachting van de EZ-minister de benodigde hoeveelheid vermogen tegen een marktconforme prijs kan worden gecontracteerd. Tevens zal de DTe als toezichthouder erop toezien dat de uiteindelijke contractering op een economisch verantwoorde wijze plaats zal vinden. De planning is dat het vangnetvermogen, dus afschakelbaar en opregelbaar vermogen, in september 2005 zal worden gecontracteerd voor de jaren 2006 en later. Details rondom de contractduur, de wijze van invoering en de omvang van het vermogen moeten nog worden uitgewerkt. De verwachting is dat voor een effectief vangnet een substantieel lager vermogen dan 1200 MW volstaat. Door het CPB is geadviseerd om het vermogen in tranches te contracteren met een contractduur van bijvoorbeeld drie jaar, ter voorkoming van mogelijke marktverstoring. In juni 2005 verwacht de EZ-minister nadere informatie te kunnen verstrekken over de details van het vangnet voor 2006 en later. Vooruitlopend hierop zal TenneT reeds voor het jaar 2005 eenmalig een tender uitschrijven voor het contracteren van vangnetvermogen (afschakelbaar en opregelbaar vermogen), zodat ook dit jaar de leveringszekerheid beter gewaarborgd zal zijn.

EZ-minister Brinkhorst gaat in een brief van eind maart aan de Tweede Kamer in op een aantal kwesties die tijdens een algemeen overleg van de Vaste Kamercommissie van Economische Zaken over de Ministeriële Regelingen Elektriciteit en Gas op 9 februari j.l. aan de orde kwamen. Een van de kwesties betreft de mogelijkheid voor de DTe om beheerders van hoogspanningsnetten lager dan 220 kV toestemming te geven om af te stappen van het zogenaamde ‘n-1 principe’. Daarmee aanvaardt DTe dat een enkelvoudige storing in het hoogspanningsnet aanleiding kan geven tot uitval van het transportnet in een bepaalde regio. Het zogenaamde n-1 principe betreft de betrouwbaarheid van elektriciteitstransport en houdt in dat een enkelvoudige storing op een hoogspanningskabel geen transportonderbreking tot gevolg mag hebben. Brinkhorst staat voor de 220 kV-netten geen uitzonderingen toe, wel voor de netten met een spanning van tussen de 110 en 220 kV. DTe bepaalt de kosten met instrumenten zoals de VOLL (Value of Lost Load) in combinatie met de onderbrekingstijd.

Op verzoek van EZ en ten behoeve van de leveringszekerheid van elektriciteit start TenneT het proces voor de inkoop van calamiteitenvermogen 2005. Het te contracteren calamiteitenvermogen dient exclusief ter beschikking van TenneT te staan. Afnemers van elektriciteit, die tijdelijk vermogen kunnen verminderen, kunnen calamiteitenvermogen aanbieden. Het vermogen wordt ingezet in het geval van een (dreigende) grootschalige onderbreking in de elektriciteitsvoorziening. EZ heeft wel randvoorwaarden gesteld aan de kosten en het te contracteren volume, hoewel deze randvoorwaarden niet bekend zijn. TenneT kiest om praktische redenen voor telefonisch afroepbaar vermogen, en denkt met maximaal 15 tot 20 partijen tot afspraken te komen. Het minimale afschakelbare vermogen is hierbij ongeveer 25 MW en dient binnen 15 minuten beschikbaar te zijn. Bedrijven die belangstelling hebben voor de levering van dit vermogen dienen dat uiterlijk 18 mei 2005 bij TenneT te melden.

EZ-minister Brinkhorst spreekt op 2 mei energieministers toe in een bijeenkomst van het Internationaal Energie Agentschap (IEA). In zijn speech stelt de minister dat energie een belangrijk onderdeel moet zijn van buitenlandse politiek. De zekerheid van de energievoorziening kan een belangrijke bijdrage zijn aan de stabiliteit van landen en regio’s. Daarbij moet er niet alleen aandacht zijn voor olie, maar ook voor gas en elektriciteit. Hij voorspelde dat binnen enkele jaren een veelvoud van het huidige aantal tankers met LNG (vloeibaar gemaakt aardgas) over de wereldzeeën zal varen. De groei van de olieproductie in de OPEC-landen kan de groeiende vraag in de wereld nauwelijks bijhouden, aldus Brinkhorst. Hij vindt ook dat hard gewerkt moet worden aan energiebesparing en alternatieve energie, maar dat neemt niet weg dat grote investeringen in het winnen van delfstoffen nodig zijn, ook in landen die zijn aangesloten bij het IEA. De wereld zal alleen in haar behoefte aan energie kunnen voorzien als er een stabiel politiek en investeringsklimaat heerst, waarbij internationale oliemaatschappijen toegang hebben tot de voorraden.

In opdracht van EZ heeft TenneT in de eerste helft van 2005 een onderzoek uitgevoerd naar de leveringszekerheid in de elektriciteitsmarkt. In dit onderzoek is tot 2012 vooruit gekeken naar de ontwikkeling van vraag en aanbod in de elektriciteitsmarkt, waarbij ook de importmogelijkheden en export zijn meegewogen. De conclusie is dat tot en met 2009 Nederland voor voldoende aanbod afhankelijk is van buitenlands aanbod in een mate die ten opzichte van 2004 geen toegenomen kwetsbaarheid voor de leveringszekerheid betekent. In 2012 is de importafhankelijkheid en de mate waarin de leveringszekerheid daarvoor kwetsbaar is dermate toegenomen dat de leveringszekerheid een aandachtspunt kan worden, vooral als gevolg van internationaal afgenomen reservemarges. Het ‘Rapport Monitoring Leveringszekerheid 2004-2012‘ is beschikbaar inclusief bijlage 1 en bijlage 2.

De netwerkbeheerderskoepel in Europa, de ETSO (Europese Transmission System Operators), stelt half mei dat er voor de korte termijn voldoende elektrisch opwekkingsvermogen in Europa is, hoewel piekvraag door uitzonderlijke weersomstandigheden het systeem behoorlijk kan belasten. De ETSO-voorspellingen beslaan de jaren 2007-2010-2015 en kijken voor ieder jaar naar pieklastsituaties, zowel in juli als in januari (in de Scandinavische landen wordt alleen een winterpiek gehanteerd). De groei van de stroomvraag zet in deze periode in bescheiden mate (1-2%/jaar) door. In het zuiden is dat veel meer: 3-4%/jaar. De piekvraag komt naar verwachting in 2007 uit op 535 GW en 595 GW in 2015. De verhouding tussen productie en vraag is het ongunstigst in het Verenigd Koninkrijk en Ierland en het gunstigst in de centrale delen van Europa, terwijl alle andere regio’s voldoende marge laten zien. In de Scandinavische landen is de productievraag verhouding voor normale winterdagen naar tevredenheid. Extra capaciteit (2-4 GWh) is alleen nodig op extreem koude winterdagen. Statistisch is de kans daarop eens in de 10 jaar. De import (4200 MW) kan komen uit Rusland, CENTREL (groep van 4 transmission system operators in Oost-Europa) en van de kern in het UCTE-gebied (Union for the Co-ordination of Transmission of Electricity) als de opwekkingscapaciteit daarvoor voldoende is. Ook is er een aanzienlijk potentieel voor vraagresponse in de Scandinavische landen. In het UCTE-gebied verslechtert de verhouding licht. In Spanje, Portugal en Italië helpt een forse capaciteitsuitbreiding bij het bereiken van een gezonde balans op de korte termijn. Voor de langere termijn echter leiden groei in de vraag en het sluiten van oude centrales tot een Europese nieuwbouwbehoefte van 50 GW in 2015. In circa 40 GWh zal kunnen worden voorzien, op voorwaarde dat marktmechanismen de juiste middelen krijgen om te investeren.

De energie commissie van de EU heeft in de derde week van juni ingestemd met een compromistekst voor de wetgeving inzake het garanderen van de energievoorziening. De European Commission en de European Union Council van regeringen van de lidstaten waren al eerder akkoord gegaan. Het resultaat ligt dichter bij de positie van de energie commissie en richt zich meer op zekerstelling van levering dan op het ontwikkelen van de interne energiemarkt in Europa. De Europese energiebedrijven zijn over het algemeen blij met het resultaat. Ook de European Transmission System Operators (ETSO) groep toonde zich erg tevreden.

Begin juli 2005 maakt TenneT bekend dat met ingang van 1 september de 750 MW grensoverschrijdende capaciteit, die tot dan toe in de verdeling met voorrang beschikbaar werd gesteld ter uitvoering van de zogenaamde NEA-contracten, aan de markt beschikbaar gaat stellen (NEA-contracten zijn langlopende importcontracten die de Nederlandse producenten in het verleden met het buitenland hebben afgesloten; NEA is het Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor, de opvolger van de Samenwerkende Elektriciteits Productiebedrijven (SEP)). De capaciteit kwam vrij nadat het Europese Hof had bepaald dat die niet langer gereserveerd mag worden voor de 4 Nederlandse stroomproducenten, die zijn verenigd in de NEA. Vooruitlopend op een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) heeft TenneT besloten de voorrangsregeling te beëindigen en de capaciteit aan de markt aan te bieden via een veiling. TenneT zal de 750 MW grensoverschrijdende capaciteit verdelen over de TSO’s (Transmission System Operator) van België (Elia) en Duitsland (E.On, RWE) verdelen. De verdeling over deze 3 netbeheerders is 352,1 MW voor RWE; 352,0 MW voor Elia en 45,6 MW voor E.On. Een rechtstreeks gevolg van het stopzetten van de NEA-importcontracten is dat half augustus ook de Franse en Belgische TSO’s (RTE en Elia) vanaf september extra crossborder capaciteit kunnen verdelen (350 MW).

In oktober wordt bekend dat de Europese Investeringsbank een lening van € 160 miljoen zal verstrekken aan TenneT. Het geld is bestemd voor het project Randstad380: de aanleg van 150 kilometer transportverbindingen voor elektriciteit rond de grote steden, inclusief de bouw van bijhorende schakelstations en andere voorzieningen. Zonder deze voorzieningen zou de energiedistributie in de Randstad over enkele jaren ernstig in gevaar komen. Met het project is een periode van tien jaar gemoeid (van 2005 tot 2015) en een totale investering van € 400 miljoen.



Terug naar thema Elektriciteits- en gasmarkt 2005