Biobrandstoffen |
Berichten uit 2005 |
Beekenkamp Plants uit Maasdijk heeft in februari als eerste tuinbouwonderneming in Nederland een vergunning gekregen bio-olie (een verzamelnaam voor plantaardige vetten) te verbranden waarmee het bedrijf het gasverbruik kan verlagen. Verwachting is dat ook andere telers deze vorm van duurzame energie in huis willen halen. Thermeta uit Wageningen voltooide al in 2003 een proef bij Beekenkamp Plants met bio-olie. Het bedrijf kondigde toen al aan de olieverbrandingsinstallatie te willen houden als de test succesvol verliep. Reden voor de vertraging waren de procedures voor de vergunningen. Er werd door de provincie Zuid-Holland en de Productschappen Tuinbouw en Margarine, Vetten en Oliën onderzocht in hoeverre de bio-olie schadelijk zou kunnen zijn in de uitstoot van stoffen. Naast een lager gasverbruik is het voordeel dat een andere afspraak uit het convenant Glastuinbouw en Milieu (Glami) dichterbij komt. In 2010 zou 4% van het totale energieverbruik in de tuinbouw duurzaam moeten zijn. Verbranden van plantaardige olie valt daar ook onder.
Nederland krijgt in maart met nog 19 andere lidstaten een waarschuwing van de Europese Commissie dat het niet op tijd is met de implementatie van een Europese richtlijn over het gebruik van biobrandstof. Doel van deze richtlijn is het aandeel van biobrandstof in het energiegebruik te laten stijgen tot 5,75% in 2010.
Nederland kan voortaan gecertificeerde vloeibare biobrandstoffen stoken voor het opwekken van energie. Op de vergadering van 1 maart 2005 heeft het College van Deskundigen Grondstoffen en Milieu van Kiwa BRL K21010/01 ‘Vloeibare biobrandstof‘ aangenomen. Op initiatief van het productschap MVO heeft een ketenwerkgroep met vertegenwoordigers van VROM, provincies, leveranciers van biobrandstoffen en afnemers uit de glastuinbouw en elektriciteitsmaatschappijen zich het afgelopen jaar gebogen over de eisen die aan de biobrandstof moeten worden gesteld. Kern van de beoordelingsrichtlijn is onderzoek naar specifieke componenten, tracking & tracing en het onderhouden van een adequaat kwaliteitssysteem met steekproefsgewijze controle van de brandstofkwaliteit. Certificeringsinstantie Kiwa heeft het gehele proces begeleid. Leveranciers van vloeibare biomassa die voldoet aan de eisen uit de Beoordelingsrichtlijn (BRL), kunnen zich laten certificeren, door o.a. Kiwa. Kiwa beoordeelt de bedrijfsvoering en de wijze waarop de kwaliteit van het product wordt gegarandeerd.
Half april meldt Sunoil Biodiesel dat in Emmen de eerste Nederlandse biodieselfabriek zal worden gebouwd. Biodiesel is een milieuvriendelijke brandstof die gewonnen wordt uit ondermeer plantaardige oliën. De plantaardige olie wordt verwerkt tot een brandstof die vrijwel geen roet en zwavel uitstoot. Dieselauto’s kunnen zonder aanpassingen deze brandstof tanken. Vanaf volgend jaar moet jaarlijks 30.000 ton biodiesel in Emmen worden geproduceerd. De biodiesel is nu nog bestemd voor de Duitse markt, omdat de accijns daar veel lager ligt. In dat land staan inmiddels zeker 26 biodieselfabrieken en kan de brandstof bij 1700 pompen getankt worden. In Nederland wordt het nog niet aan de pomp verkocht, omdat het door de hoge accijns niet rendabel is. De bouw van de biodieselfabriek kost ruim € 4 mln en levert 15 banen op.
In Leeuwarden en Harlingen verrijzen de komende tijd fabrieken voor de productie van koolzaadolie die als motorbrandstof kan worden gebruikt. Drie kleine Friese oliemaatschappijtjes, Delta Oil uit Dronrijp, Solaroil uit Boijl en Halma Olie uit Zweins, zetten de fabrieken gezamenlijk op. Nog deze zomer moet de eerste oliemolen, met een productie van 6 miljoen liter/jaar, in het Leeuwarder Newtonpark in bedrijf zijn. Eind dit jaar wordt begonnen met de bouw van een fabriek op industrieterrein Oostpoort in Harlingen, die uiteindelijk 12 miljoen liter/jaar zal kunnen produceren. Koolzaadolie kan door omgebouwde auto’s als milieuvriendelijke brandstof worden gebruikt. De uitstoot van het broeikasgas CO2 ligt ongeveer 70% lager dan bij gewone diesel.
In een bijeenkomst voor het VIEWLS-project (onderzoek naar mogelijke technologische routes voor de productie van gasvormige en vloeibare biobrandstoffen) van 12 april in Brussel wordt de conclusie getrokken dat biobrandstoffen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan reductie van de CO2-emissie. Bovendien wordt aan de Europese Commissie de boodschap meegegeven om de EU-landbouwpolitiek in te zetten voor een substantiële productie van biomassa in de 25 landen van de EU. Met name het potentieel van de Midden- en Oost-Europese lidstaten moet beter worden benut. De opdracht van VIEWLS is beleidsmakers en andere belanghebbenden te voorzien van informatie over: de economische en ecologische prestatie van biotransportbrandstoffen, het productiepotentieel van de Centraal- en Oost-Europese landen, mogelijke scenario’s voor de marktintroductie van biobrandstoffen.
De definitieve rapporten van het VIEWLS-project worden eind juni 2005 beschikbaar gesteld. Het is dan aan de Europese Commissie (EC) om te beslissen waar de focus moet komen te liggen: goedkope biobrandstoffen, hoge CO2-reductie of maximalisatie van de energieopbrengst. Vervolgens dienen de lidstaten het EU-beleid nationaal te implementeren en de gekozen doelen door financiële stimulering te realiseren. Het Directoraal-Generaal Transport en Energie van de EC was opdrachtgever voor dit onderzoek, waaraan diverse universiteiten en kennisinstellingen uit heel Europa hebben deelgenomen. De coördinatie was in handen van SenterNovem.
Begin juni wordt geconstateerd dat Nederland achterloopt met de invoering van biologische brandstoffen aan de pomp. Het kabinet heeft nog geen besluit genomen over hoe en wanneer biobrandstoffen bij het tankstation verkrijgbaar zijn. In Duitsland wordt volgend jaar al de EU-doelstelling voor 2010 bereikt waarmee daar dan 5,75% van de brandstoffen uit biobrandstof bestaat. Duitsland biedt de biodieselconsument fiscale voordelen, net als Oostenrijk, Spanje, Italië, Polen, België en Zweden. In Nederland is er nog geen concreet plan om biobrandstoffen fiscaal aantrekkelijk te maken, laat staan dat er een besluit is genomen. In Zweden kan men al bij ongeveer 200 reguliere tankstations ethanol tanken en profiteren van belastingvoordelen. De helft van de Saab-kopers in Zweden koos recent voor een auto met een zogeheten Biopowermotor die rijdt op een mengsel van 85% ethanol en 15% benzine.
Op 6 juli wordt de productie van de milieuvriendelijke motorbrandstof PPO (koolzaadolie) gestart in Delfzijl door de Noord-Nederlandse Oliemolen BV. Dit is de eerste oliemolen in Nederland waarbij uit koolzaad door middel van koude persing biobrandstof wordt gemaakt. Er zijn 60 koolzaadtelers als certificaathouder verbonden aan de oliemolen. Het koolzaadareaal van 500 ha in 2002 is inmiddels weer gestegen naar ruim 2000 ha. Voor de afzet van de olie zijn al veel vrachtauto’s en andere voertuigen omgebouwd om de milieuvriendelijke brandstof te kunnen gebruiken. Plantaardige olie is een hernieuwbare, niet-eindige brandstof. Zo wordt de uitstoot van koolmonoxide en roetdeeltjes met de helft verminderd ten opzichte van gewone dieselolie. Wat kooldioxide (CO2) betreft is er sprake van 100 procent reductie.
Volgens een persbericht op 1 juli van Wageningen UR-Biobased Products is men er in geslaagd 25 kg tarwestro door middel van fermentatie om te zetten in ethanol. Het productieproces bestaat uit een fysisch-chemische voorbehandeling, gevolgd door enzymatische hydrolyse van de cellulose tot suikers. Die worden vervolgens vergist tot ethanol. Tot nu toe wordt bio-ethanol vooral gemaakt uit hoogwaardige voedingsgewassen, zoals graan en maïs. Afvalproducten zoals stro, resthout en gras zijn goedkoper als grondstof. Het onderzoek wordt gefinancierd door de ministeries van EZ en LNV. Partners zijn ECN, TNO, ethanolproducent Nedalco, melkzuurproducent Purac, Shell Global Solutions en de leerstoelgroepen Levensmiddelenchemie en Bioproces-technologie van Wageningen Universiteit. De onderzoekers denken dat industriële toepassing van het proces haalbaar zal zijn op de middellange termijn. Voorwaarde is uiteraard wel dat de overheid de accijns op bio-ethanol afschaft.
Brazilië, de grootste exporteur van de biobrandstof ethanol, en de grote handelaren daarin kiezen de haven van Rotterdam om Europa te bevoorraden. De overslag van ethanol in Rotterdam is de afgelopen 3 jaar verdrievoudigd van 200.000 ton in 2001 tot 600.000 ton in 2004. Op basis van de EU-richtlijn dat in 2010 5,75% van alle autobrandstof uit een biobrandstof moet bestaan, wordt de toekomstige Europese vraag naar ethanol op 10 miljoen ton/jaar geschat. Het Havenbedrijf Rotterdam verwacht dat het zijn huidige aandeel van ruim 50% van wat nu nog een nichemarkt is, minstens kan handhaven. Grote spelers in de tankopslag zoals Vopak en Odfjell zijn in de markt om tanks vrij te maken voor het aanleggen van voorraden om aan de stijgende vraag te kunnen voldoen. Het gaat nu nog om ethanol dat bestemd is voor de Duitse, Britse, maar vooral ook Zweedse markt.
Tijdens de officiële opening van Nederlandse eerste biobrandstoffabriek in Delfzijl begin juli maakt minister Veerman van Landbouw bekend dat hij het gebruik van ‘duurzame’ biobrandstoffen wil stimuleren door deze te mengen met gewone brandstof aan de pomp. Hij praat in het kabinet over een regeling waarbij een complete accijnsvrijstelling gaat gelden voor bijmenging van maximaal 2% bio-ethanol bij super- of loodvrije benzine en biodiesel of ‘pure plantaardige olie’ bij diesel. Deze regeling vormt onderdeel van een pakket maatregelen waarmee Veerman de trage groei van het gebruik van biobrandstof in Nederland alsnog een impuls wil geven.
De kabinetsplannen om het gebruik van biobrandstoffen te stimuleren zijn op Prinsjesdag op scherpe kritiek gestuit. Zowel de Tweede Kamer als de industrie betitelt de voorstellen als ‘onvoldoende’ en ‘weinig ambitieus’. In de begroting voor het komende regeringsjaar reserveert het kabinet-Balkenende € 70 mln om in Nederland een markt voor biobrandstoffen te creëren. Het gebruik van biobrandstoffen leidt tot een lagere uitstoot van het broeikasgas CO2 dan fossiele brandstoffen. Met het bedrag van € 70 mln wordt voor één jaar de accijns op de dure bio-brandstoffen (bio-ethanol en biodiesel) verlaagd, wat benzinemaatschappijen ertoe moet brengen 2% biobrandstoffen bij te mengen. In 2007 wil de overheid de oliemaatschappijen een verplichte bijmenging opleggen. Daarnaast heeft VROM-staatssecretaris Van Geel jaarlijks € 12 mln beschikbaar gesteld aan subsidies voor onderzoek en ontwikkeling van biobrandstoffen. Bijvoorbeeld voor onderzoek en ontwikkeling van een nieuwe generatie biobrandstoffen die wordt gewonnen uit afvalstoffen (bijvoorbeeld houtvezels) en niet meer uit de voedingsketen (koolzaadolie, tarwe).
Het Nederlandse bedrijf Biox is sinds een jaar als zelfstandig en snelgroeiend bedrijf actief als leverancier van duurzame biobrandstoffen aan elektriciteitscentrales in Europa. Biox is bezig met de voorbereidingen voor de bouw van drie centrales waar biobrandstoffen worden geproduceerd: in Vlissingen-Oost, op de Rotterdamse Maasvlakte en in de Groningen Eemshaven. Als alles meezit, kan in het eerste kwartaal van 2006 met de bouw van deze centrales worden begonnen. De bouw duurt circa een jaar. De bouwkosten bedragen ongeveer € 50 mln per centrale. De centrales krijgen een vermogen van 50 MW. Vlak naast de centrale in Vlissingen-Oost bouwt Biox ook een tankterminal voor de op- en overslag van plantaardige oliën en vetten. De restwarmte van de centrale worden gebruikt om de oliën en vetten vloeibaar te houden. De centrale op de Maasvlakte gaat stroom leveren aan de palmolieraffinaderij van het Maleisische bedrijf IOI. De centrale in de Eemshaven gaat stroom leveren aan een daar gevestigde fabriek van staalconcern Corus.
Biovalue en Delta gaan een biodieselfabriek realiseren in de Eemshaven. Delta participeert als grootaandeelhouder (65%) in Biovalue. Door het unieke productieproces zal de in de Eemshaven geproduceerde biodiesel dezelfde kostprijs hebben als normale diesel. Daarnaast heeft deze biodiesel een betere verbranding, komt minder roet en CO2 vrij en is er helemaal geen zwaveluitstoot. Het productieproces kent geen afval en vergt ook minder energie en chemicaliën dan bestaande productieprocessen. Bij Delta moet nog een laatste formele toets plaatsvinden voordat de investering van € 10 mln kan worden goedgekeurd. Het productievolume bedraagt 66.000 ton (ongeveer 80 miljoen liter biodiesel). Voor de productie zijn diverse grondstoffen vanuit de agrarische sector geschikt, zowel plantaardig als dierlijk.