Wind op land

Berichten uit
2006
Productie

Volgens een in januari uitgebracht bericht van Wind Service Holland (WSH) was het windaanbod voor windturbines 20% lager dan in een gemiddeld jaar. Volgens de organisatie was 2005 zelfs het op één na slechtste windjaar ooit. Sinds 1988 had alleen 2003 een nog lager windaanbod en 2005 is nu het vijfde windarme jaar op rij. WSH berekent elke maand een Windex waarmee kan worden aangegeven hoe groot de energieinhoud van de wind was ten opzichte van een gemiddelde maand. Met behulp van de Windex kan ook worden berekend wat de gemiddelde jaarproductie van de turbine zal worden. Hoe langer de periode, hoe betrouwbaarder de uitkomst. De berekening van de windexen is mogelijk dankzij de maandelijkse aanlevering van molenproducties door vele tientallen moleneigenaren.

De brancheorganisatie Europese Wind Energie Associatie (EWEA) meldt begin februari dat in 2005 de capaciteit van wind turbines in de EU-landen is gegroeid met 6183 MW tot 40504 MW. Daarmee is de doelstelling van de Europese Commissie voor 2010 al gehaald. De capaciteit voor windenergie is de laatste 10 jaar met gemiddeld 32%/jaar gegroeid. De grootste capaciteit staat in Duitsland (1808 MW) en Spanje (1764 MW). Nederland staat op de zesde plaats in de EU met een capaciteit van 1219 MW eind vorig jaar.

Windmolencoöperaties

Afgevaardigden van Nederlandse windmolencoöperaties nemen in april het besluit om een werkgroep op te richten, die de mogelijkheden gaat onderzoeken en uitwerken om een nutsbedrijf te worden. Ze willen in de toekomst de vrijheid hebben om zelf aan burgers groene stroom aan te bieden. Coöperaties zijn verenigingen van particulieren die overal in het land windturbines hebben gerealiseerd. Het gaat vaak om de kleinere projecten. De vraag is wel of de coöperaties er op toegerust zijn om dit voornemen waar te maken. Vooralsnog zoeken ze aansluiting bij andere groene stroomleveranciers, zoals Greenchoice en Echte Energie.

Milieueffecten

In mei promoveert F. van den Berg aan de Rijksuniversiteit Groningen op een onderzoek naar geluidsoverlast door windturbines. Het blijkt dat windmolens na zonsondergang meer geluid produceren dan overdag. De promovendus verrichtte onder meer metingen bij een windmolenpark in het Duitse Rhede. Daaruit blijkt dat het 's nachts aan de grond windstil kan zijn, terwijl het op grotere hoogte wel waait. Overdag is dat niet het geval. De stevige wind in de hogere luchtlagen zorgt ervoor dat de wieken van windmolens 's nachts vaak sneller draaien dan overdag. Het geluid dat de stroming van de wind langs de wieken veroorzaakt, wordt daardoor luider. Omwonenden van windparken vergelijken dat geluid met een eindeloze trein, de branding of een opstijgende 747.

Grootste onshore windpark Nederland

Eventus Duurzaam en Yard Capital openen half mei het grootste onshore windpark van Nederland in Delfzijl-Zuid. Met de uitbreiding van de 14 windturbines, van de Duitse fabrikant Enercon, is Windpark Delfzijl Zuid het grootste windpark van Nederland met een totaal elektrisch vermogen van ruim 40 MW. De windturbines, type E71, zijn in een cluster gebouwd en hebben een ashoogte van 85 meter en verschillen in vermogen van 2 tot 2,3 MW. Met de realisatie van de 14 windturbines is de jaarproductie van Windpark Delfzijl Zuid gestegen naar 100 GWh. In de loop van 2006 zullen er nog 12 windturbines worden bijgebouwd. Het totale park omvat dan 32 windturbines met een elektrisch vermogen van meer dan 65 MW.

ECN probeert samen met universiteiten, de industrie én overheid, de transitie naar een duurzame energiehuishouding in 2050 zo soepel mogelijk te laten verlopen. Zonder enige twijfel vormt de inzet van windenergie een belangrijk aandeel bij de totstandkoming van een duurzame energiesysteem. ECN's visie is dat tussen 2030 en 2040, minimaal 25% van de Nederlandse elektriciteitsbehoefte kan worden vervuld met windenergie, ervan uitgaande dat conversie op land in 2015 en op zee vanaf 2020 concurrerend zal zijn. In het licht van deze energietransitie, organiseert ECN, in samenwerking met SenterNovem, de Technische Universiteit Delft en het WMC (Knowledge Centre Wind turbine Materials and Constructions), de Dutch Wind R&D Workshops 2006. De workshops worden 11 en 12 oktober gehouden bij ECN in Petten. Circa 120 windexperts zullen twee dagen lang in Petten zijn om kennis te nemen van, en te discussiëren over het onderzoek en ontwikkelingen op het gebied van windturbinetechnologie in Nederland. Niet alleen de, mondiaal gezien, vijf grootste windturbineproducenten en bladfabrikanten zijn aanwezig bij de workshops, ook off-shore bedrijven, consultancy en adviesbedrijven zullen de presentaties volgen en deelnemen aan de 2 topexcursies die voor hen georganiseerd zijn. Op het programma van de eerste workshopdag staan diverse presentaties over onder andere rotoraërodynamica, blad- en turbinematerialen, windparkmanagement, off shore installaties, long distance monitoring en softwareontwikkelingen. Een excursie zowel naar het ECN Windturbine Testpark Wieringermeer (EWTW) als ook een bootexcursie naar de windturbines van het Offshore Windpark Egmond aan Zee (OWEZ) staan voor de tweede dag op het programma.

In een persbericht meldt ECN 12 oktober dat ze samen met het National New Energy and Energy Equipment Industrial Base (NNEEEIB) in China een kenniscentrum op het gebied van windenergietechnologie willen oprichten. In het NNEEEIB participeren het stadsbestuur en het bedrijfsleven van de Chinese stad Baoding, een stad ten zuid westen van Beijing met ongeveer 520.000 inwoners. Er wordt een haalbaarheidsstudie uitgevoerd voor het bouwen van een windturbinetestveld. In het Noord-Hollandse Wieringermeer heeft ECN sinds 2003 een soortgelijk testpark met onderzoeksturbines en prototype windturbines van verschillende producenten.

ForWind, het researchinstituut van de Universiteiten van Hannover en Oldenburg gericht op windenergieonderzoek, heeft Jos Beurskens, voormalig unitmanager Windenergie van het Energieonderzoek Centrum Nederland, benoemd tot voorzitter van de wetenschappelijke Adviesraad. Jos Beurskens staat internationaal bekend als een gedreven winddeskundige die reeds vanaf midden jaren '70 betrokken is bij de Nederlandse en Europese windindustrie. Op 18 september jl. is Jos Beurskens benoemd tot voorzitter van de wetenschappelijke Adviesraad van ForWind. Het nog jonge onderzoeksinstituut ForWind heeft als taak het 'veredelen' van onderzoeksresultaten van beide universiteiten naar toepassingsgerichte producten, die interessant zijn voor de industrie en verschaffen van hooggekwalificeerde diensten. De specialismen van dit relatief nieuwe onderzoeksinstituut zijn energiemeteorologie, turbulente stroming en staalconstructies, vooral voor offshore windturbines. Het instituut richt zich qua onderzoek verder op netintegratie van opgewekte windenergie. Beide universiteiten van Hannover en Oldenburg, zijn zeer geïnteresseerd in een internationale samenwerking met instellingen die ervaring hebben met onderzoek naar windturbinetechnologie en die de problemen waar de industrie mee worstelt al langer kennen. De eerste stap hiertoe is gezet door het gezamenlijk turbineonderzoek van ECN en de Universiteit van Oldenburg. In dit onderzoek staat de mogelijkheid om de vermogenscurve (de curve die de relatie tussen het opgewekte vermogen en de windsnelheid weergeeft) van een windturbine, onafhankelijk te maken van de turbulentie-intensiteit van de wind op de plaats waar gemeten wordt. Daar beide universiteiten deel uitmaken van de Duitse tak van de European Wind Energy Academy (EWEA), waar ook ECN en de TU Delft onderdeel van zijn, past deze benoeming uitstekend in de ontwikkeling van Europese samenwerking op het gebied van offshore windenergie met name in de Noordelijk regio's van Nederland en Duitsland. Juist voor ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf is het contact met universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstituten zoals ForWind en ECN, uiterst belangrijk: wie zich geen grote ontwikkelingsafdeling kan of wil veroorloven, is meer dan eens aangewezen op de inbreng van de wetenschap. Kennisoverdracht is echter geen eenrichtingsverkeer. De universiteiten en hogescholen hebben het contact met het bedrijfsleven nodig om onderzoek en onderwijs verder te kunnen ontwikkelen.



Terug naar thema Duurzame energie 2006