Gebouwde omgeving

Berichten uit
2006

Vanaf 30 januari 2006 werft het ministerie van VROM burgers voor een nieuw burgerplatform. In dit burgerplatform gaan burgers op zoek naar antwoorden op de vraag hoe de overheid het aantrekkelijker kan maken om in huizen energie te besparen. In Europees verband is afgesproken het energieverbruik in huizen omlaag te brengen. Ook de Nederlandse regering is bezig om energiebesparing te stimuleren. Eén van de vragen voor VROM is hoe huizenbezitters en huurders te motiveren zijn om op praktisch en haalbare wijze in de energiezuinigheid van hun huizen te investeren. Men kan zich voor het platform aanmelden. Vervolgens gaat VROM uit alle mensen die zich aanmelden een groep samenstellen die zoveel mogelijk een afspiegeling is van de Nederlandse bevolking. Mensen die in de selectie zitten, krijgen een uitnodiging voor een aantal bijeenkomsten en excursies. Diegenen die niet in de selectie zitten, betrekt VROM op een later tijdstip bij de uitkomst van het platform.

Uit berekeningen, die Ecofys in opdracht van Spaar Het Klimaat maakte en waarvan half februari de resultaten worden gepubliceerd, blijkt dat met het isoleren van bestaande woningen een CO2-emissiereductie van 7 Mton/jaar gehaald kan worden. Dit komt nagenoeg overeen met de emissiereductie van 8 à 9 Mton die volgens ECN door de bouw van 3 grote nieuwe kerncentrales te behalen zou zijn. Naast de betaalbaarheid van de verschillende maatregelen speelt draagvlak ook een belangrijke rol bij het halen van klimaatdoelstellingen.

De gemeente Den Haag maakt half juni afspraken met de woningcorporaties HaagWonen, Staedion en Vestia en de energiebedrijven E.ON Benelux en Eneco om aardwarmte te gebruiken voor de warmtevoorziening van een woonwijk. Den Haag is daarmee de eerste Nederlandse gemeente die zogenaamde geothermische energie gebruikt. De duurzame warmte uit de aarde wordt in Den Haag gewonnen op een diepte van 2-3 km en vervolgens gedistribueerd naar afnemers in woonwijken (huishoudens), instellingen, bedrijfsgebouwen, etc. Het water heeft op die diepte een temperatuur van 75 graden Celsius.

De markt is niet bij machte de energiezuinigheid en de CO2-uitstoot rond woningen te verbeteren. Daarom moet de overheid hierin actiever stimuleren. Dat is de conclusie van een proefschrift (Policies for improving energy efficiency in the European housing stock, M. Sunikka, 5 september) naar de mogelijkheden om de energieprestaties van bestaande woningen te verbeteren. De EU-lidstaten hebben nauwelijks een idee van de rol van bestaande woningen bij de CO2-problematiek en hebben overdreven vertrouwen in de marktwerking. De investeringen die nodig zijn om de energiezuinigheid van woningen en hun CO2–emissies aan te pakken, blijven in de huidige situatie echter te kostbaar. Daarom moet er een dwingend overheidbeleid komen dat geflankeerd wordt door samenwerking tussen overheid en marktsector.

SenterNovem heeft voor het ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu (Vrom) in het kader van het programma Kompas, energiebewust wonen en werken een onderzoek laten uitvoeren naar het verband tussen energiebesparing en gezondheid. Veel energiebesparende maatregelen zijn niet alleen gunstig voor het milieu en de energierekening, ook de gezondheid van werknemers vaart er wel bij. Via deze weg kunnen werkgevers miljarden euro's per jaar besparen. Het slechte kantoorklimaat is voor zowel overheden als het bedrijfsleven een forse verborgen kostenpost. Jaarlijks kost dat werkgevers € 5 miljard Een deel daarvan kan worden teruggedrongen met energiebesparende maatregelen.

De Europese Commissie geeft in oktober landen, die te weinig acties hebben aangekondigd om gebouwen energiezuiniger te maken een laatste waarschuwing voordat een formele klacht bij het Hof van Justitie aanhangig wordt gemaakt. Nederland is een van die anden. Lidstaten moeten in het kader van de Energy Performance for Buildings Directive (EPBD) het energieverbruik in gebouwen verminderen door de minimumnormen voor energieprestaties te bepalen en deze toe te passen op nieuwe gebouwen en grote bestaande gebouwen. Deze moeten worden vermeld op energiecertificaten. Gebouwencertificaten zijn echter veel gedetailleerder en gaan voor bestaande gebouwen vergezeld van advies over de wijze waarop de energieprestaties kunnen worden verbeterd, evenals informatie over de investeringskosten en de vermoedelijke terugverdientijd van de investeringen. Ook moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de verwarmings- en airconditioningsinstallaties regelmatig worden geïnspecteerd om nog betere prestaties mogelijk te maken.

In het kader van het EU-project Promotion of European Passive Houses (PEP), werkt het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) aan de promotie van passief bouwen in Europa. Een belangrijk deel van de onderzoeksactiviteiten is gericht op niet-technische aspecten van de introductie van passiefhuizen zoals het geven van voorlichting aan woningcorporaties, het vergroten van naamsbekendheid en het voorstellen van mogelijke beleidsmaatregelen om passief bouwen op grote schaal te introduceren. Binnen het EU project E-retrofit KIT wordt ook de toepassing van het passief huis technologieën in renovatieprojecten onderzocht. ECN coördineert hierin het werkpakket om een ondersteunende tool te ontwikkelen. Passief bouwen is niet nieuw. In de ons omringende landen zijn al verschillende projecten uitgevoerd. In Duitsland en Oostenrijk is met de bouw van meer dan tienduizend 'Passivhäuser' in de laatste tien jaar bewezen dat forse energiebesparing mogelijk is en dat dit uitstekend samengaat met comfortverhoging. Het aantal passiefhuizen in Duitsland en Oostenrijk, maar ook in België, Noord-Italië en Scandinavië, neemt elk jaar toe met tientallen procenten. Uit een ECN-rapport ‘Het onbenut rendabel potentieel voor energiebesparing’, gepubliceerd in juli 2005, komt naar voren, dat door het inzetten van nu nog onbenutte besparingsmogelijkheden bij huishoudens en in utiliteitsgebouwen, de mogelijke besparing in 2020 het energieverbruik vertegenwoordigt van 1 miljoen huishoudens. Wanneer men echter een nieuwbouwwoning vergelijkt met een passiefhuis kan men stellen, dat een nog verdergaande energiebesparing haalbaar is. Dit betekent, dat wanneer vanaf 2010 alle nieuwbouwwoningen volgens het passief bouwen gebouwd zouden worden, een besparing van 12 tot 19 PJ mogelijk is. Dit komt overeen met een jaarlijkse reductie in CO2-uitstoot van 0,7 tot 1,1 Mton. Passief bouwen is een specifieke constructiewijze voor woningen waarbij een comfortabel binnenklimaat in winter en zomer centraal staat. Het gebouw is geconstrueerd zonder traditioneel cv-systeem en zonder actieve koeling. Dit houdt in dat het gebouw een zeer goede isolatie en een zeer goede luchtdichtheid heeft. Overdracht van warmte door ongeïsoleerde constructiedelen (de zogenaamde koudebruggen) moet zoveel mogelijk vermeden worden. De optimale benutting van zonne- en restwarmte wordt verkregen door een combinatie van maatregelen en ontwerpaspecten. Met een zuid-oriëntatie kan aan de zonzijde van het gebouw warmte binnen komen. Hiervoor moet voldoende glas in de zuidgevel opgenomen worden om de zoninstraling optimaal te kunnen benutten, terwijl de isolatie aan de noordzijde optimaal moet zijn. Een veelgehoorde klacht over oververhitting van de woning door een zuid-oriëntatie, kan met eenvoudige buitenzonwering voorkomen worden. Hiervoor is geen koelsysteem zoals airconditioning nodig. Ook een efficiënt lagetemperatuurverwarmingssyteem en mechanische ventilatie met warmteterugwinning zorgen voor energiebesparing. De juiste hoeveelheid isolatie en 'open gevel' is eenvoudig te bepalen met het, door het Passivhausinstitut uit Darmstadt, uitgebrachte 'Passivhausprojektierungspaket', waarvan ook een Nederlands-Vlaamse versie beschikbaar is. Naast zon en isolatie, zijn hiermee ook de vereiste kierdichtheid en efficiëntie van het ventilatiesysteem te bepalen. Door de bovengenoemde maatregelen zijn geen aparte radiatoren meer nodig en volstaat lichte naverwarming van de ventilatielucht. Naast de vermeden cv-installatiekosten scheelt dit een factor vier in het energiegebruik voor verwarming ten opzichte van de huidige norm, en ten opzichte van bestaande bouw is het energiegebruik voor verwarming zelfs tien keer lager. Nieuwbouw is voor passiefhuizen de meest voor de hand liggende optie. Maar het concept toepassen bij renovatie, wat in feite het grootste besparingspotentieel vertegenwoordigt, is goed mogelijk. Op dit moment is duidelijk dat seriematig gebouwde passiefhuizen in Nederland nog steeds duurder zijn dan een traditioneel gebouwd rijtjeshuis. Een hogere kostprijs (tot 7%) is voor een eengezinswoning in de eerste jaren reëel. Dit betekent voor potentiële kopers een hogere hypotheek, maar kunnen ze op energiekosten besparen. En er kan gedacht worden aan ‘groenfinanciering’, waardoor de hypotheeklasten lager uit kunnen vallen. Bovendien gaan steeds meer banken ertoe over niet alleen naar de hypotheeklasten te kijken, maar de totale woonlasten in beschouwing te nemen. Dat houdt in, dat met lagere energielasten hogere hypotheeklasten en dus een hogere hypotheek mogelijk zijn. Uit de reacties van testwoningbewoners in Deventer bleek dat zij zeer tevreden waren over het wooncomfort. En zeker de zeer lage gasrekening, een verbruik van circa 120 kuub per jaar, werd gezien als een groot pluspunt. Wanneer meer projectontwikkelaars en bouwbedrijven zich willen inzetten voor passief bouwen, kunnen toeleveranciers van bijvoorbeeld kozijnen, ramen en deuren en van verwarmings- en ventilatiesystemen nog goedkoper produceren, waardoor de prijs zakt. Op de Internationale Dagen van het Passiefhuis die van 10-12 november 2006 worden gehouden, stellen passiefhuisbewoners in Nederland en in het buitenland hun woningen open voor belangstellenden.

De ministerraad heeft 17 november op voorstel van minister Winsemius van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het Besluit energieprestatie gebouwen. Dit is een belangrijke stap bij de implementatie van de Europese richtlijn Energieprestatie gebouwen. Het Besluit regelt het laatste onderdeel van de richtlijn: het energielabel voor gebouwen. Het energielabel voor gebouwen moet in de toekomst bij bouw, verkoop of verhuur worden overlegd. De nieuwe gebruiker van een gebouw krijgt zo vooraf inzicht in het energieverbruik en een advies voor verbetering. Het besluit geeft de mogelijkheid onder voorwaarden het bestaande Energie Prestatie Advies (EPA) te gebruiken als het nieuwe Energielabel. Het kabinet streeft ernaar op 1 januari 2007 de richtlijn in Nederlandse wetgeving omgezet te hebben. Vanaf dat moment wordt gestart met de opleidingen van toekomstige adviseurs en de certificering van bedrijven die energielabels mogen uitgeven. Als er voldoende adviseurs zijn, treedt het besluit in werking en stelt het kabinet het verplicht om bij een huizentransactie een energielabel te overleggen. De richtlijn Energieprestatie gebouwen had op 4 januari 2006 moeten zijn omgezet in Nederlandse regelgeving. In verband met de hoge administratieve lasten heeft het kabinet in oktober 2005 een besluit over de wijze van implementatie aangehouden. In februari 2006 heeft de Europese Commissie Nederland officieel in gebreke gesteld voor het niet tijdig invoeren van de richtlijn.



Terug naar thema Energiebesparing 2006