CO2- en NOx-emissiehandel |
Berichten uit 2007 |
Begin 2007 blijkt dat de prijs van de EU-rechten voor de uitstoot van koolstofdioxide bij energiecentrales en fabrieken met 15% is gezakt naar 5,5 euro per 1000 kg. Dat is de laagste prijs ooit betaald voor emissierechten. Door de zachte winter en dientengevolge een afnemende vraag naar energie is er een overschot aan rechten ontstaan. In de zomer van 2006 was de Europese Commissie (EC) nog van mening dat het te veel rechten voor 2007 had verdeeld onder de lidstaten, mede veroorzaakt door onvolledige gegevens over de uitstoot van CO2. Duitsland heeft de EC onlangs gevraagd om meer rechten vanaf 2008.
Half januari krijgt de Nederlandse overheid het Nationale Allocatieplan (NAP) terug van de Europese Commissie (EC) met het verzoek het plan aan te passen. In het Nederlandse NAP is een maximum voorgesteld van 90,4 miljoen ton per jaar, maar de EC wil Nederland slechts 85,8 miljoen toekennen. In 2005 werd er in Nederland 80,35 miljoen ton CO2 uitgestoten. De EC stelt dat Nederland de reductie van de CO2-uitstoot meer in eigen land moet realiseren en minder in het buitenland d.m.v. het opkopen van emissierechten. Nederland wil 12% en de EC heeft een maximum van 10% ingesteld. In totaal wil de EC-commissaris voor Milieu Dimas circa 7% korten op de voorstellen die de EU-lidstaten hebben ingediend. Nederland zit met 5,1% onder dat gemiddelde. Een ander punt van discussie zijn de zogenaamde ‘windfall profits’: het door de energiebedrijven doorberekenen van de kosten van emissierechten in de tarieven, terwijl ze de CO2-rechten gratis hadden gekregen. Nog een reden waarom de EC het NAP heeft afgewezen is dat de zogenaamde efficiëntiefactor niet mag leiden tot hogere toebedeling van rechten dan een bedrijf naar verwachting nodig heeft. Dit hangt in Nederland samen met het Convenant Benchmarking: vrijwillige reductie van de industriële CO2-uitstoot in ruil voor minder strenge milieumaatregelen. Hoewel de EC deze afspraak eerder goedkeurde wijst men dit nu af.
De meest verantwoordelijke bewindslieden (EZ en VROM) vinden verlaging van het totale aantal rechten acceptabel, als Nederland maar wel de zekerheid heeft dat de Nederlandse bedrijven niet zwaarder worden aangepakt dan hun collega's in andere landen. Ze zijn het echter niet eens met de Brusselse aanwijzing dat Den Haag ongeveer honderd CO2 uitstotende installaties alsnog onder het emissiehandelssysteem moet brengen. Het milieueffect is gering en de administratieve lasten nemen toe.
De EU-lidstaten worden het in februari in grote meerderheid eens over het feit dat de Europese luchtvaartmaatschappijen moeten meedoen aan de handel in emissierechten. Air France en KLM doen mee, maar Lufthansa dreigt veel internationale vluchten via Zürich te laten lopen. Zwitserland doet niet mee aan het emissiehandelssysteem. Brussel wil invoering in 2011 voor EU-interne vluchten en in 2012 voor niet- Europese maatschappijen die op Europa vliegen. Amerikaanse maatschappijen zullen pogingen ondernemen het systeem te ontduiken.
EZ-minister Van der Hoeven VROM-minister Cramer zullen n.a.v. de beoordeling van de Europese Commissie het Toewijzingsplan broeikasgasemissierechten 2008-2012 aanpassen. In het Toewijzingsplan wordt beschreven welke Nederlandse bedrijven meedoen aan emissiehandel en hoeveel emissierechten deze bedrijven krijgen. De Europese Commissie heeft de toewijzingsplannen van alle lidstaten op eenzelfde manier streng beoordeeld. De belangrijkste aanpassing voor het Nederlandse plan is dat het totale CO2-plafond wordt verlaagd met ruim 4,5 miljoen ton CO2 per jaar. Daarnaast wordt de elektriciteitssector in verband met de zogenaamde ‘windfall profits’ met 15% gekort. Ook zal de regeling voor het uitsluiten van kleine installaties worden aangepast. Installaties van maximaal 3 MW worden niet meegeteld voor het gezamenlijke vermogen van een verbrandingsinstallatie. Wel is de Nederlandse overheid van mening dat de kleine installaties (<=20 MW) niet onder de emissiehandel moeten vallen. Tenslotte zal het gebruik van Joint Implementation en Clean Development Mechanism (JI/CDM) door bedrijven worden teruggebracht. Een bedrijf mag nog maar maximaal 10% van haar CO2 rechten in Oost-Europa en ontwikkelingslanden kopen. Dat was eerst 12%.
Begin maart wordt door de EU-landen overlegd over de herziening van het emissiehandelssysteem (ETS). Er blijken namelijk nogal wat fouten in het ETS te zitten die moeten worden opgelost om ook andere, niet-EU landen voor het systeem te winnen. Men vindt in de Europese Commissie dat het ETS een belangrijk middel is in de strijd tegen de uitstoot van broeikasgassen. Om het systeem te verbeteren, startte de Europese Commissie donderdag een serie hoorzittingen waarin herziening van het ETS voor de periode ná 2012 centraal staat. De EU wil in 2020 20% minder CO2 uitstoten dan in 1990. De toewijzing van emissierechten in de periode 2005-2007 is niet goed verlopen: er zijn door de EU-lidstaten te veel rechten uitgegeven, waardoor de prijs in mei 2006 sterk daalde. De gratis toekenning van rechten aan energiebedrijven is door hen onterecht doorberekend aan hun klanten. Ook is de systematiek van allocatie op historische basis ondeugdelijk. Het ontbreekt ook aan uniforme regels voor toekenning van gratis rechten wat uit overwegingen van concurrentie onwenselijk is.
Begin april blijkt uit een bericht in de Emissiehandel Nieuwsbrief dat de Nederlandse bedrijven die deelnemen aan de CO2-emissiehandel in 2006 bijna 4 mln ton CO2 minder hebben uitgestoten dan in 2005, een daling van 4,5%. Net als in 2005, was er in 2006 opnieuw een overschot aan emissierechten. 203 Nederlandse bedrijfslocaties (99,5% van alle uitstoot binnen de emissiehandel, inclusief drie nieuwe locaties) emitteerden in 2006 76,3 Mton CO2, tegen 80,0 Mton in 2005. De bedrijfslocaties ontvingen in 2006 van de Nederlandse overheid 86,3 mln emissierechten, dezelfde hoeveelheid als in 2005 en 2007. Voor de periode na 2007 wordt momenteel een nieuwe toewijzing voorbereid.
In april maakt de Europese Commissie (EC) bekend dat het ook de scheepvaart aan de handel in emissierechten wil laten meedoen. Daarmee wordt naast de zware industrie, stroomproducenten en de luchtvaart een vierde bedrijfstak aan het emissiehandelssysteem (ETS) toegevoegd. In februari was al voorgesteld om vanaf 2011 de Europese luchtvaart te verplichten mee te doen. Ook bij deze sector, net als bij de luchtvaart, is het de vraag in hoeverre niet-Europese bedrijven een bijdrage aan het systeem moeten leveren, omdat anders mogelijk de concurrentiepositie van de Europese scheepvaartindustrie wordt benadeeld. Het is nog niet bekend op welke wijze de scheepvaart in het ETS moet worden opgenomen, tegen welke voorwaarden en wanneer deelname moet ingaan. Uit diverse studies blijkt dat de CO2-uitstoot in de scheepvaart de komende 15 jaar met circa 75% zal groeien, vooropgesteld dat de groei van de wereldhandel zich voortzet.
Volgens een bericht van de Wereldbank tijdens een handelsbeurs voor de emissiehandel in Keulen begin mei is de wereldwijde markt voor uitstootrechten van CO2 in 2006 bijna verdriedubbeld tot €22 mrd. De voornaamste bijdrage kwam van de Europese Unie.
Het Wereld Natuur Fonds (WNF) meldt half juni dat bedrijven in 8 EU landen (Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Ierland, Polen, Portugal, Duitsland en Spanje), hun verantwoordelijkheid om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen omzeilen. Met Clean Development Mechanism (CDM) projecten kopen bedrijven emissierechten in ontwikkelingslanden, maar daarvan is de herkomst niet te controleren. De uitstoot van broeikasgassen neemt binnen Europa niet af, tenzij bedrijven in de EU onderling gaan handelen. WNF wil dat de Europese Commissie duidelijker criteria maakt voor de verkoop van emissierechten en de opbrengsten laat gebruiken voor de ontwikkeling van duurzame energie. In een ontwikkelingsland moeten alleen schone bedrijven worden gebouwd, zodat de bevolking er ook baat bij heeft.
Eind juni ondertekende VROM-minister Cramer in Luxemburg een overeenkomst met Letland om Letse emissierechten op te kopen. Nederland is daarmee het eerste land dat emissierechten in het buitenland gaat kopen om aan de klimaatdoelstellingen van het Kyoto-protocol (in 2012 een 6% lagere CO2-uitstoot t.o.v. 1990) te kunnen voldoen. Letland gaat volgens de overeenkomst de opbrengsten in klimaatprojecten steken. Tijdens de tweede fase van het klimaatverdrag (2008-2012) moet Nederland 200 miljoen ton CO2 besparen, waarvan de helft in het buitenland zal worden gerealiseerd. Tot dusver gebeurde dat door buitenlandse energieprojecten te financieren, waarbij de bereikte reducties van de eigen uitstoot worden afgetrokken. Zeker in minder ontwikkelde landen ligt de prijs per ton CO2 een stuk lager dan in Nederland, waar de meeste ‘makkelijke’ maatregelen al zijn genomen. In de Oost-Europese lidstaten leverde de sluiting van verouderde fabrieken uit de Sovjettijd enorme milieuwinsten op. Volgens het Kyotoverdrag mogen de deelnemende industrielanden ook onderling uitstootrechten verhandelen. In totaal verkoopt Letland voor 5 miljoen ton CO2 aan emissierechten, waarvan Nederland en Finland allebei de helft voor hun rekening nemen.
Twee onderzoekers aan de Faculteit Techniek, Bestuur en Management van de TU Delft (Chappin en Dijkema) schrijven begin juni in een opiniërend stuk in het Financiële Dagblad dat het hele systeem van de handel in CO2-emissierechten weinig invloed heeft op de uitstoot van CO2 door elektriciteitscentrales. De vijf in Nederland geplande nieuwe kolencentrales zullen 44 miljoen ton CO2 per jaar uitstoten. Chappin en Dijkema stellen dat de emissiehandel de investeringsbeslissingen rond de kolencentrales nauwelijks raakt. De onderzoekers hebben het beslissingsproces van elektriciteitsproducenten in modellen geanalyseerd. Uitgebreide simulaties laten zien dat emissiehandel pas op lange termijn leidt tot structurele verlaging van de CO2-intensiteit van de elektriciteitsproductie. In de meeste scenario's voor brandstofprijzen en CO2-emissieplafond blijft de totale CO2-emissie van de sector stijgen, enerzijds omdat de vraag naar elektriciteit blijft toenemen, anderzijds omdat het gebruik van kolen een aantrekkelijke optie blijft voor producenten. Op basis van hun onderzoek zien beiden vijf echte oplossingen voor de CO2-reductie: (1) nieuwe kolencentrales moeten 'capture-ready' zijn; (2) een harde norm kan de CO2-intensiteit van elektriciteitsproductie beperken zonder de technologie voor te schrijven, evenals een wereldwijd succesvolle aanpak bij het bestrijden van zure regen en de bescherming van de ozonlaag; (3) de CO2-allocatie en het emissieplafond moeten worden aangepast; (4) er moet een infrastructuur voor CO2-transport en -opslag worden ontwikkeld; en (5) consumenten moeten worden betrokken door gerichte voorlichting en invoering van een CO2-budget voor elektriciteit.
De Nederlandse Staatssecretaris voor Europese Zaken (en mede namens de Britse Minister van Europese Zaken) pleit in een toespraak begin september voor meer Europa bij het klimaatbeleid en het streven naar 30% reductie en een geharmoniseerd systeem voor de handel in emissierechten. Oktober 2006 schreven Jan-Peter Balkenende en Tony Blair hun collega’s van de EU een brief waarin ze hen opriepen tot een ambitieus Europees energie- en klimaatbeleid. Nederland en het Verenigd Koninkrijk bleken de juiste snaar te hebben geraakt en binnen enkele maanden werden spijkers met koppen geslagen. Tijdens de voorjaarszitting in maart 2007 besloot de Europese Raad tot de zogenaamde 20-20-20 doelstellingen voor het jaar 2020: 20% minder uitstoot van broeikasgassen, 20% duurzame energie en 20% energiebesparing. De Europese Raad van juni heeft opgeroepen zo snel mogelijk tot uitvoering van de nieuwe klimaatdoelstellingen over te gaan. De Europese Commissie werkt reeds aan een pakket wetsvoorstellen. Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben zich in hun nationale beleidsplannen vastgelegd op de doelstelling van 30%. De regeringsleiders hebben in maart de mogelijkheid opengelaten dat de EU kiest voor 30%, mits andere ontwikkelde landen tot vergelijkbare doelstellingen bereid zijn en ook de grote ontwikkelingslanden hun bijdrage naar vermogen leveren. Een belangrijk instrument voor het realiseren van die doelstelling is het Europees stelsel voor de handel in emissierechten. Dat systeem schept een markt en daarmee een prijs voor de uitstoot van CO2. Tot nog toe is het aan de lidstaten om te bepalen hoeveel certificaten voor de emissiehandel worden toegewezen. Maar lidstaten staan onder druk van hun industrie en wijzen te veel certificaten toe. De huidige marktprijs is dan ook slechts 11 eurocent per uitgestoten ton CO2. De Commissie is inmiddels zeer streng bij haar beoordeling van de nationale toewijzingsplannen voor de komende periode (2008-2012), met als gevolg dat de termijnmarkt voor certificaten - de ‘futures’ - vanaf 2008 beter zal functioneren (18-22 euro per ton).
De Volkskrant onderzocht de uitstoot van broeikasgassen bij de 25 bedrijven uit de AEX. Uit de begin oktober gepubliceerde resultaten blijkt dat bij vier concerns (ING, DSM, Shell en Akzo Nobel) de uitstoot was gereduceerd. ING en DSM waren daarvan de enigen die economische groei wisten te compenseren met minder uitstoot van CO2. ING verminderde het aantal zakenreizen en kocht meer groene stroom in. DSM reduceerde het energieverbruik. De uitstoot bij Shell en Akzo Nobel verminderde voornamelijk door onderbrekingen in de productie. Zo haalde Shell door onlusten veel minder olie uit Nigeria, waardoor de totale uitstoot van het concern daalde. Bedrijven kijken bij hun klimaatbeleid steeds meer naar de hele procesketen, zeggen hun best te doen voor reductie van de uitstoot, maar in de praktijk komt er volgens het onderzoek van de Volkskrant weinig van terecht. Zo nam de uitstoot bij Reed Elsevier 2,3% toe, omdat vaker met het vliegtuig werd gereisd. Bij Aegon steeg de uitstoot met 12% omdat in de warme zomer van 2006 de airco meer werd gebruikt. Negen concerns uit de AEX verstrekten geen informatie over de uitgestoten broeikasgassen. Het totaal van de bekende uitstoot door de AEX-bedrijven bedraagt 120,2 miljoen ton. Dat is ongeveer gelijk aan de jaarlijkse uitstoot van 40 miljoen auto’s.
Een woordvoerder van de Europese Commissie meldt half oktober dat de openbaarmaking van de voorstellen van de Europese Commissie over de toekomstige toegestane uitstoot van CO2 van EU–landen een maand worden uitgesteld. Ze waren gepland voor december, maar komen nu pas in januari. De EU–landen kwamen in maart 2007 al overeen om in 2020 20% minder CO2 uit te stoten dan in 1990. De bijdrage per land moet echter nog bepaald worden. Het uitstel heeft te maken met de VN–top over klimaatbeheersing die van 3 tot 14 december in het Indonesische Bali gehouden wordt. In Bali moeten nieuwe afspraken gemaakt worden voor de periode na 2012, als de Kyoto–afspraken aflopen.
Eind oktober is een samenwerkingsverband opgericht onder de naam International Carbon Action Partnership (Icap). De Europese Unie gaat samen met zestien Amerikaanse staten, zeven Canadese provincies, Australië en Nieuw-Zeeland een gemeenschappelijke markt voor de handel in CO2-rechten opzetten. De huidige Europese markt voor uitstootrechten wordt geschat op €40 mrd. Binnen Icap gaat het mogelijk om €150 mrd.
1 november publiceert de Algemene Rekenkamer het rapport ‘Europees handelssysteem voor CO2-emissierechten’. Hoewel Nederland het Europese systeem voor CO2-emissiehandel op hoofdlijnen goed heeft ingevoerd, signaleert de Rekenkamer risico's. De CO2-emissiehandel overlapt bijvoorbeeld met het energie- en klimaatbeleid, dat daardoor minder effectief wordt. Daarnaast constateert de Rekenkamer dat het kabinet bij invoering van de emissiehandel meer oog heeft voor de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, en minder voor het Nederlandse milieudoel volgens 'Kyoto'. De beperking van CO2-uitstoot door Nederland is daardoor lager dan mogelijk. De huidige spelregels van de CO2-emissiehandel stimuleren EU-lidstaten, dus ook Nederland, onvoldoende om het systeem dwingend toe te passen. Om dit te veranderen zijn verdere Europese afspraken voor strakkere spelregels en harmonisatie tussen EU-lidstaten nodig.
Het kabinet en het Nederlandse bedrijfsleven hebben in een milieucontract afgesproken dat het bedrijfsleven wordt toegestaan om vooralsnog een reductie van 20% na te streven. Het kabinet wil een reductie van 30% in 2020, ten opzichte van 1990. Het bedrijfsleven belooft wel zijn doelstellingen te verhogen als dat ook binnen de Europese Unie wordt gedaan. In 2010 zal VROM-minister Cramer inventariseren of er genoeg vooruitgang wordt geboekt met het terugdringen van de CO2-uitstoot.
Uit een begin november gepubliceerd onderzoek (Ready for Take-off?)van PricewaterhouseCoopers (PwC) onder twintig luchtvaartmaatschappijen blijkt dat de luchtvaartsector is zich onvoldoende bewust is van het effect van de Europese regeling voor de handel in emissierechten, die vanaf 2011 ook in deze sector zal worden toegepast. Hoewel alle onderzochte luchtvaartmaatschappijen denken dat de regeling van invloed zal zijn op hun kosten, heeft slechts één op de vier serieus onderzoek gedaan naar de gevolgen van de regeling, aldus PwC. Nu geldt de regeling nog alleen voor fabrieken in vijf energie-intensieve sectoren. Bedrijven in deze sectoren, waarvan de uitstoot van CO2 niet wordt afgedekt door emissierechten, riskeren een boete die fors kan oplopen. Doel van de regeling is bedrijven te dwingen tot minder uitstoot van broeikas, en daarmee tot een zuiniger energiegebruik.
Het Europese parlement besluit half november dat het luchtvaartverkeer in Europa moet meedoen aan het Europese emissiehandelsysteem. De sector moet met ingang van 2011 de uitstoot met 90% verminderen ten opzichte van het niveau in 2007. Als luchtvaartmaatschappijen, met bijvoorbeeld oudere vliegtuigen, meer willen vervuilen dan moeten ze op de Europese emissiehandelsmarkt uitstootrechten bijkopen. Het plafond zal in de loop der jaren verder omlaag gaan. De maatregel geldt voor zowel Europese als intercontinentale vluchten. Vliegverkeer is verantwoordelijk voor 6-9% van het totale broeikaseffect en de sector groeit enorm snel. Toch bleef deze bedrijfstak tot dusver uitgezonderd in het klimaatbeleid.
ECN heeft een onderzoek geleid naar ontwikkelingen en verwachtingen in de internationale handel in broeikasgassen. Het eind november verschenen rapport ‘Carbon credit supply potential beyond 2012. A bottom-up assessment of mitigation options’ biedt veel informatie over onderwerpen die bij de VN-klimaatconferentie COP13 op Bali (3-14 december) een rol gaan spelen. Het potentieel voor CO2-beperking via duurzame projecten in ontwikkelingslanden is kleiner dan algemeen wordt aangenomen. Waarschijnlijk is het wel voldoende om de industrielanden in staat te stellen hun CO2-doelstellingen te helpen bereiken. Recente afspraken over de beperking van broeikasgassen voor de Europese Unie, stellen dat in 2020 een reductie van 20 tot 30% bereikt moet zijn ten opzichte van de situatie in 1990. Een van de mogelijkheden is het Clean Development Mechanism (CDM), waarbij industrielanden ‘credits’ kunnen verwerven door duurzame emissie reducerende projecten te realiseren in ontwikkelingslanden. Het ministerie van VROM heeft opdracht gegeven voor een onderzoek naar de mogelijkheden van en ontwikkelingen in de handel in CO2-emissie na 2012. Met ECN als projectleider hebben Ecofys, Point Carbon en vier onderzoeksinstituten in China, India en Brazilië en Senegal de verwachtingen op dit gebied onderzocht. Ondanks de onzekerheden voorspelt het rapport dat er geen krapte verwacht wordt tot 2020. De potentiële mogelijkheden voor broeikasgasreductie in ontwikkelingslanden zijn technisch gezien groot, zoals ook aangetoond in eerdere studies. Maar de hoeveelheid die gerealiseerd kan worden via CDM hangt af van besluiten over welke vormen van besparing meetellen. Afvang en opslag van CO2 wordt tot 2020 niet als een belangrijke factor gezien omdat de technologie nog in een demonstratiestadium is. Energiebesparing gaat waarschijnlijk wel een grote rol spelen. Als we die onzekerheden in de vergelijking worden meegenomen lijken de mogelijkheden voor CDM-projecten significant groter dan de vraag naar reductie binnen de EU tot 2020. Mochten andere landen en met name de Verenigde Staten ook reductieverplichtingen op zich nemen, dan kunnen de CDM-mogelijkheden te beperkt worden. Als dat het geval wordt, kunnen andere CO2-credits een rol gaan spelen. Vooral door Internationale Emissie Handel, waarbij landen met een overschot aan emissierechten kunnen verkopen aan landen met een tekort.
In opdracht van de Bezinningsgroep Energie (BG) heeft CE Delft een onderzoek uitgevoerd waarin verklaringen worden gegeven voor het feit dat naast ambitieuze klimaatdoelstellingen er ook plannen bestaan om 5 nieuwe kolencentrales in Nederland te bouwen. Het rapport Environmental Policy for Power Stations stelt dat het klimaatbeleid op de lange termijn zo vaag is dat bedrijven er bij het nemen van investeringsbeslissingen geen rekening mee kunnen houden. Hierbij gaat het onder andere over de invulling van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) na 2012. Verder lijkt de Nederlandse allocatie van emissierechten onder het EU ETS (Emission Trading System) kolencentrales te bevoordelen, door onderscheid te maken naar brandstoftype, en maakt het strategisch ondernemersgedrag mogelijk. Deze bevindingen hebben twee beleidsconsequenties: (1) de manier waarop emissierechten verdeeld worden moet worden verbeterd. ‘Benchmarking’ is een optie, maar deze moet zo onafhankelijk mogelijk zijn van historisch gebruik en brandstoftype. Veiling van rechten is ook een goede optie. Het is echter onzeker welke veranderingen in het EU ETS systeem zullen plaatsvinden. Dit hangt samen met het politieke klimaat in Brussel en in andere EU landen. Daarom is het van belang om op de korte termijn ook overheidsregulering in te zetten. De overheid moet bedrijven in de goede richting leiden door de adoptie van ‘no regret’ maatregelen te stimuleren.
Vanaf begin december benadert het Carbon Disclosure Project (CDP) de 50 grootste Nederlandse bedrijven met de vraag bekend te maken hoeveel CO2 ze uitstoten. Aan de hand van een uitgebreide vragenlijst brengt het CDP ook in kaart waar voor een bedrijf de risico’s en kansen liggen op het gebied van duurzaamheid. Het initiatief wordt inmiddels gesteund door 315 financiële instellingen.