Klimaatverandering |
Berichten uit 2007 |
Half maart presenteert ECN het rapport ‘Social cost-benefit analysis of climate change mitigation options in a European context’. In het rapport wordt onder meer de vraag beantwoord hoe maatschappelijke lange-termijn effecten van reductiemaatregelen in het kader van klimaatverandering kunnen worden meegenomen in het beleids- en besluitvormingsproces. De achtergrond van dit onderzoek is dat in Europese beleidsprogramma’s, gericht op het terugdringen van broeikasgassen, vaak de kosteneffectiviteit (kosten in verhouding tot CO2-reductie) het belangrijkste criterium lijkt te zijn voor het bepalen van de prioritering van reductiemaatregelen. In het rapport introduceren de onderzoekers een methode waarmee het beter mogelijk wordt de maatschappelijke kosten-baten afwegingen voor de lange-termijn te maken. Onderlinge effecten, bijkomende niet-klimaatgebonden factoren en aannames en ook politiek gevoelige factoren als de verwachte prijsontwikkeling van olie en gas, de impact op luchtvervuiling alsmede de voorzieningszekerheid worden in de methode meegenomen.
Begin april wordt het tweede klimaatrapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) in Brussel gepresenteerd. In februari zijn de uitkomsten van het eerste rapport over het klimaatsysteem en de invloed van de mens hierop gepresenteerd, op 3 mei wordt het rapport over mogelijke maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te beperken vastgesteld en 16 november verschijnt tot slot het syntheserapport. Elke vijf jaar publiceert het IPCC rapporten die een compleet overzicht geven van de kennis op klimaatgebied. Het IPCC concludeert in dit tweede rapport dat de gevolgen van klimaatverandering duidelijk zichtbaar zijn. Snelle emissiereductie van broeikasgassen (mitigatie) is nodig om de belangrijkste effecten en risico’s te verminderen of te vermijden. Daarnaast is aanpassing aan klimaatverandering (adaptatie) onvermijdelijk, zowel in Nederland als in de rest van de wereld. Het kabinet oordeelt dat klimaatverandering onomkeerbaar is en een grote impact heeft op mens en natuur. De inzichten in het rapport zullen door betrokken ministeries als BZ/OS, LNV, VenW en VROM worden meegenomen bij het formuleren van nieuw beleid of het aanpassen van het huidige beleid. De Europese Unie heeft afgesproken dat in de uitstoot van broeikasgassen in 2020 20% lager moet zijn dan in 1990. Nederland wil zelfs met het VROM-project ‘Schoner en zuiniger’ een reductiepercentage van 30% realiseren. Daarnaast is het Nationaal Programma Ruimte en Klimaat (ARK) gestart waarin staat wat nodig is om Nederland klimaatbestendig te maken en te houden, met name in ruimtelijke zin. Dit zal leiden tot een strategie in het najaar van 2007 en een concreet uitvoeringsplan begin 2008 waar voor innovatie een hoofdrol is weggelegd. Hierbij gaat het vooral om goede waterberging, verbindingszones tussen natuurgebieden, woningbouw in polders en leefklimaat in binnensteden.
4 mei presenteert de Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) het derde deel van het zogenaamde 4th Assesment Report. Het rapport is samengesteld door ‘s werelds meest vooraanstaande experts op het gebied van klimaat en energie en heeft consequenties voor het Nederlandse overheidsbeleid. De IPCC is het internationale wetenschappelijke adviesorgaan van de Verenigde Naties op het gebied van klimaatverandering. Het eerste deel van het rapport van de IPCC benaderde de klimaatverandering al eerder op wetenschappelijke wijze, waarna het tweede deel handelde over de invloed van de verandering op o.a. voedselproductie en beschikbaarheid van water. Deel 3 brengt oplossingen in kaart om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren en zo de klimaatverandering tegen te gaan.
Het kabinet stelt september in een reactie op het in februari 2007 gepubliceerde interdepartementale beleidsonderzoek 'Scenarios klimaatbeleid', dat de Nederlandse inzet bij het mondiale klimaatbeleid zich moet richten op het realiseren van internationaal effectieve afspraken. Uitgangspunt voor die inzet is het VN-klimaatverdrag en het bijbehorende Kyoto-protocol. Rond 2009 zal er een effectief en breed gedragen pakket aan internationale klimaatafspraken op tafel moeten liggen. In het komende onderhandelingstraject is de VN-klimaatconferentie in Indonesië (Bali) half december een belangrijk moment. Het kabinet stelt een aantal bouwstenen voor een toekomstig mondiaal klimaatregime centraal, zoals een mondiaal gemiddelde temperatuurstijging van maximaal 2 graden boven het pre-industriële niveau en een gezamenlijke vermindering van de broeikasgasemissies van industrielanden in 2020 van 30% ten opzichte van 1990. Verbreding van deelname aan het klimaatregime, vooral ook van de VS en de grote zich snel ontwikkelende ontwikkelingslanden, is nodig. Daarnaast is het verder ontwikkelen van een mondiale koolstofmarkt van groot belang. Ook innovatie, aanpassing aan klimaatverandering, het tegengaan van ontbossing en het aanpakken van de emissies van scheepvaart en luchtvaart die nu niet door het Kyoto-protocol worden gereguleerd, ziet het kabinet als belangrijke onderdelen voor een internationaal klimaatbeleid. Diverse rapporten m.b.t. het toekomstig internationaal klimaatbeleid zijn te vinden op de site van het Ministerie van Financiën.
Half september worden de resultaten gepubliceerd van een onderzoek van Veldkamp en TNS NIPO (‘Denken, doen en draagvlak’), uitgevoerd in opdracht van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), naar de bereidheid van burgers in Europa om te betalen voor klimaatbeleid. Het blijkt dat zowel in Nederland als in andere Europese landen er een aanzienlijk draagvlak is voor een pakket maatregelen dat moet leiden tot een extra CO2-reductie van tenminste 10%, bovenop het beleid dat nu al wordt uitgevoerd. In Duitsland, Frankrijk, Italië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk is de steun voor extra maatregelen nog groter dan in Nederland. Ook steunen burgers in alle Europese landen het reduceren van CO2-emissies via alternatieve manieren van elektriciteitsopwekking, ook al heeft dat financiële consequenties, bijvoorbeeld dat de elektriciteitsrekening circa 10% hoger wordt. Meer gebruik maken van hernieuwbare energie vinden burgers aantrekkelijker dan kernenergie of kolencentrales met CO2-opslag. Maar aangezien de kosten voor hernieuwbare energie hoger liggen, is het draagvlak voor alle drie opties uiteindelijk even groot. Voor een CO2-reductie van 10% als gevolg van het inzetten van hernieuwbare energie betaalt een gemiddeld huishouden circa €5 per maand meer aan energiekosten. Ook het verplichten van bedrijven om hun CO2-emissies te verminderen, kan rekenen op bijval van de Europese burger. Consumptiegoederen zouden hierdoor gemiddeld 1% duurder worden. Maatregelen waarmee isolatie van bestaande woningen wordt verplicht, elektrische huishoudelijke apparaten zuiniger worden en een heffing wordt ingevoerd op niet-duurzaam opgewekte elektriciteit, leidt tot een reductie in CO2-emissies van 10%. Houden we rekening met de lagere energierekening die hierdoor ontstaat, dan is een gemiddeld huishouden voor dit pakket aan maatregelen circa €10 per maand meer kwijt. Toch blijkt bijna 70% van de Nederlandse burgers bereid te zijn deze maatregelen te accepteren.
De ministerraad is op 2 november akkoord gegaan met de Nationale Adaptatiestrategie Ruimte voor Klimaat. Het kabinet stelt dat het klimaatbestendig maken van Nederland één van de grootste ruimtelijke opgaven is van de eenentwintigste eeuw. Deze opgave wordt in toenemende mate sturend voor korte en lange termijn investeringsbeslissingen. In de strategie beschrijven de ministers van VROM, LNV, EZ en de staatssecretaris van V&W samen met VNG, IPO en de Unie van Waterschappen de stappen die zij noodzakelijk achten bij het vormgeven van deze opgave. De strategie richt zich met name op de maatschappelijke thema's veiligheid, biodiversiteit, economie en kwaliteit van de leefomgeving. In de Nationale Adaptatiestrategie worden de knelpunten benoemd, de kansen en bedreigingen omschreven en de overwegingen uiteengezet die een rol spelen bij het invoeren van klimaatbestendig ruimtegebruik. Daarnaast wordt toegelicht op welke onderdelen op korte termijn resultaten kunnen worden behaald en op welke aspecten nadere studie noodzakelijk is. De doelstelling van de strategie is maatschappelijke ontwrichting te voorkomen, nadelige effecten op te vangen en de kansen die klimaatverandering biedt te benutten. Door te kiezen voor een integrale en gebiedsgerichte benadering wordt aangesloten op lopende ruimtelijke ontwikkelingen en worden lokale kansen maximaal benut. Samenwerking tussen overheden, maatschappelijke organisaties, wetenschap en bedrijfsleven is hierbij cruciaal. De hoofdlijnen van de strategie worden uitgewerkt tot regionale adaptatiestrategieën voor acht concrete gebieden die benoemd zijn in het Kennis voor Klimaat programma, dat begin 2008 van start gaat. Het kabinet heeft hiervoor €50 miljoen subsidie ter beschikking gesteld. Op korte termijn ziet het kabinet kansen om bij grote investeringen van rijkswege nu al rekening te houden met klimaatverandering. De Zuidplaspolder, Haarlemmermeer en Almere zijn hier voorbeelden van. Ook zet het kabinet in op het doorlichten van wet- en regelgeving en krijgt klimaatverandering een prominente plaats in reguliere besluitvormingsprocessen en beleidsplannen.
Duurzaam inkopen, afspraken met woningcorporaties over energiebesparing bij woningbouw en renovatie, zuinige verlichting en wagenparken, het stimuleren van duurzame energiebronnen. Het is slechts een greep uit een breed pakket van maatregelen waarmee gemeenten hun bijdrage leveren aan een klimaatbestendig Nederland. Het Rijk en de VNG sluiten half november een Klimaatakkoord Gemeenten en Rijk 2007-2011. Beide partijen spreken af om zich gezamenlijk in te spannen voor een schoner, zuiniger en duurzamer Nederland. De rol van gemeenten is cruciaal bij het streven naar een duurzame en efficiënte energievoorziening omdat ze het dichtst bij burgers en bedrijven staan en een voorbeeldfunctie hebben. Daarom hebben het Rijk en de gemeenten in het Klimaatakkoord afgesproken te onderzoeken welke maatregelen het effectiefst zijn, zowel op het gebied van de ruimtelijke inrichting, het waterbeheer als de gezondheidszorg om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te bieden.
Eind november publiceert het Europese Milieu Agentschap (European Environment Agency) namens de Europese Commissie (EC) haar jaarlijks rapport over de voortgang bij het halen van de Kyoto-doelen in 2012: ‘'Greenhouse gas emission trends and projections in Europe 2007’. Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de Europese Unie op schema ligt om de klimaatdoelen van Kyoto te halen, maar dat nog wel een stapje harder moet worden gelopen. Voor Nederland geldt een reductiedoel van 6%. De EU-15 (Nederland, België, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië, Ierland, Denemarken, Griekenland, Portugal, Spanje, Zweden, Finland en Oostenrijk) liggen nu op schema voor een reductie van 7,4% in 2010. Met extra maatregelen komen de vijftien landen op een totale daling van 11,4%. Nederland komt volgens de EC uit op een reductie van 10,1%, mits het de voorgenomen extra maatregelen invoert. Nederland had een vermindering van 6% beloofd. De grootste kooldioxidereducties worden gehaald in Oost-Europese landen als Roemenië, Bulgarije, Letland, Slowakije en Tsjechië. Daar is de vernieuwing van zware industrie duidelijk goed voor het milieu. Italië, Denemarken en vooral Spanje doen het niet goed. In Spanje loopt de uitstoot ten opzichte van 1990 zelfs op naar plus 14%.
Tweederde van de Europese landen presteert beter op klimaatgebied dan Nederland. Dat blijkt uit de Climate Change Performance Index (CCPI) die in december in Bali tijdens de COP-13 klimaatconferentie is gepresenteerd door de Duitse milieuorganisatie Germanwatch. De CO2-uitstoot in Nederland blijft maar stijgen, terwijl een daling moet worden ingezet. De ranglijst toont aan dat Nederland nog te weinig maatregelen heeft ingevoerd om de trend om te buigen. Volgens de Stichting Natuur en Milieu (SNM) moet Nederland voortmaken om het tij te keren. SNM pleit voor windmolenparken in plaats van kolencentrales en een klimaatwet die voorschrijft hoeveel CO2-uitstoot Nederland per jaar moet verminderen. Ook adviseert SNM om concrete doelen op te nemen in het kabinetsplan Schoon en Zuinig waarop men kan worden afgerekend.
De geïndustrialiseerde landen en de ontwikkelingslanden hebben in december op de klimaattop op het Indonesische eiland Bali eensgezind afgesproken hoe zij na 2012 de klimaatverandering op aarde willen tegengaan. Alle bijna 190 deelnemende landen, inclusief de Verenigde Staten, hebben hun handtekening gezet onder het Bali Action Plan. Het definitief klimaatverdrag moet in 2009 klaar zijn. Er is afgesproken dat de geïndustrialiseerde landen hun CO2-uitstoot ‘meetbaar en controleerbaar’ zullen verminderen, dat zij de ontwikkelingslanden zullen helpen hetzelfde te doen, dat zij de ontbossing zullen tegengaan en schone technologie zullen ontwikkelen en uitwisselen. De Amerikanen hebben inmiddels wel het standpunt ingenomen dat klimaatverandering niet kan worden tegengegaan als alleen de rijke landen hun CO2-uitstoot terugdringen en opkomende economieën zoals China en India niets doen. Milieuorganisaties in Nederland vinden het akkoord te vrijblijvend. Ontwikkelingsorganisatie Oxfam (voorheen Novib) vreest dat het gebrek aan concrete doelen er toe kan leiden dat de beperking van CO2-uitstoot tekortschiet. Ook de politiek, met name Groen-Links laat weten opgelucht te zijn dat de top niet in een 'volledig fiasco' is geëindigd, maar is ook teleurgesteld dat concrete reductiedoelen ontbreken. Volgend op het Bali-akkoord zal er twee jaar worden onderhandeld voor het nieuwe verdrag dat in 2012 in werking moet treden en darmee het Kyoto-verdrag kan vervangen. Industrielanden verzetten zich in ieder geval nog tegen het verplicht stellen van technologieoverdracht. Hoewel ontwikkelingslanden meer steun verwachten op het gebied van schone technologie, vinden de rijke landen dat zij de arme landen al genoeg tegemoet zijn gekomen. Onder het huidige klimaatakkoord is het delen van kennis over energiezuinige technieken in principe al een voorwaarde. Ontwikkelingslanden zijn echter van mening dat de industrielanden deze afspraak niet volledig zijn nagekomen en beklagen zich hierover en roepen op tot regels. Bedrijven uit de rijke landen zijn echter bevreesd voor inbreuk op hun intellectuele eigendom. Ervaringen met vooral China rechtvaardigen die vrees.