Wind op land

Berichten uit
2007

Eind december 2005 meldt de Europese Wind Energie Associatie (EWEA) dat het nieuwe, lange-termijn streefcijfer voor het opgestelde windvermogen in Europa in 2030 kan zijn toegenomen tot 300.000 MW. In 2003 had de EWEA al streefcijfers vastgesteld voor de bijdrage van windenergie aan de stroomvoorziening in de Europese Unie voor 2010 en 2020, respectievelijk 80.000 MW en 180.000 MW. Die streefcijfers blijven gehandhaafd. Van de 300.000 MW die men nu voorziet in 2030 zal zo’n 150.000 MW betrekking hebben op offshore windparken. Dit opwekvermogen is dan goed voor 22% van de Europese stroomvoorziening in de EU-25. Begin 2007 heeft Europa een opgesteld vermogen van 50.000 MW dat voor circa 3% van de elektriciteitsvoorziening zorgt. De EWEA-doelstellingen (of beter: voorspellingen) liggen aanzienlijk hoger dan die van het internationale energieagentschap van de Europese Unie. Maar de EWEA wijst erop dat hun doelstellingen en voorspellingen altijd zeer voorzichtig zijn geweest. Het EU-doel voor 2010 voor windenergie (40.000 MW in 2010) is bijvoorbeeld al bereikt.

Op basis van de huidige verwachting van de ontwikkeling van de energieprijzen blijkt dat windenergie binnen afzienbare tijd concurrerend wordt met energie uit aardgas. Dit komt omdat de kosten van windenergie dalen, terwijl die van eindige fossiele energiebronnen stijgen. De Nederlandse Wind Energie Associatie NWEA dringt er bij de overheid op aan deze conclusies te vertalen in een krachtig beleid om de groei van windenergie in Nederland te bevorderen. Nederland kan in 2020 in ruim 16% van de nationale elektriciteitsbehoefte voorzien door middel van windenergie. De 8000 MW productievermogen, die hiervoor nodig is, 4000 MW op land en 4000 MW op zee, vormt slechts de ondergrens van het winbare potentieel aan windenergie, in het bijzonder op de Noordzee. NWEA heeft een voorstel uitgewerkt voor een verbeterde MEP regeling. Dit voorstel is doorgerekend door KEMA en Ecofys met gebruikmaking van de modellen en scenario’s van het Ministerie van Economische Zaken. Uit de resultaten (rapport Strategie Stimulering Windenergie) blijkt dat bij toepassing van deze verbeterde MEP regeling de overheidsbijdrage per kWh in de komende periode sterk afneemt. Na 2014 is voor nieuwe windparken op land en na 2020 ook voor nieuwe windparken op zee geen overheidsbijdrage meer nodig. De totale overheidsbijdrage aan nieuw te bouwen windparken vergt in de komende 15 jaar een bedrag van maximaal €2,4 miljard, voornamelijk voor windparken op zee. Indien de energieprijzen sterker stijgen dan thans wordt verwacht, wordt de overheidsbijdrage aan windenergie lager. Uit diverse buitenlandse studies blijkt dat een toenemend aandeel windenergie in de elektriciteitsproductie leidt tot lagere prijzen. Daarom is windenergie volgens NWEA een uitstekende investering om de energievoorziening in Nederland op korte termijn schoner, betrouwbaarder en goedkoper te maken. Daarnaast biedt de reeds ingezette ontwikkeling van windenergie op de Noordzee Nederland een unieke mogelijkheid om haar vooraanstaande internationale positie op het gebied van offshore technologie te versterken.

Begin februari meldt de Europese Wind Energie Associatie (EWEA) dat de capaciteit aan windenergie in 2006 een record heeft opgeleverd. Totaal is 7588 MW aan nieuwe molens geplaatst, 23% meer dan in 2005. Het totale vermogen in de Europese Unie (EU) groeide met 19% tot ruim 48.000 MW. In een gemiddeld jaar produceren de molens 3,3% van het Europese energieverbruik. Duitsland heeft de grootste capaciteit aan windenergie. Het land passeerde vorig jaar de grens van 20.000 MW aan capaciteit.

Uit een overzicht van de Global Wind Energy Council (GWEC) blijkt dat in 2006 het aantal windmolens wereldwijd flink is toegenomen met 15,2 gigawatt. De nieuwe installaties hebben zo'n €18 mrd gekost. Vooral in de Verenigde Staten kwamen er flink meer molens bij: 2,45 gigawatt van het nieuwe vermogen van vorig jaar werd in de VS geplaatst. Ook in Duitsland, India, Spanje en China groeit het aantal windmolens snel. De GEWC verwacht dat de groei doorzet. De voorspelling is dat er in 2007 minstens zo veel molens bijkomen als vorig jaar. Over de hele wereld staan nu molens opgesteld met een vermogen van 74,2 gigawatt. Daarvan staat twee derde in Europa. Alleen al in Duitsland staat 20,6 gigawatt en in het veel kleinere Denemarken al 3,1 gigawatt. Nederland kreeg er vorig jaar 356 megawatt bij, waarmee het totaal uitkwam op 1,56 gigawatt.

ECN heeft in december 2006 in de grootste Europese windtunnel DNW in Marknesse (Flevoland) unieke metingen verricht aan een model van een windturbine. Met deze metingen onderzoekt ECN de aerodynamische eigenschappen van een windturbine. Hiermee worden ontwerprisico's verkleind en het rendement van een windturbine vergroot. De analyse van de resultaten is echter nog in volle gang en het ligt in de verwachting dat er nog vele jaren gebruik gemaakt gaat worden van deze metingen. In verschillende regio's in de wereld zijn in voorgaande jaren op buitenlocaties metingen uitgevoerd. Het blijkt echter lastig om hieruit bruikbare gegevens te destilleren. Dit komt door de fluctuerende windsnelheid en windrichting. Hierdoor moet een bepaalde onzekerheid ingecalculeerd worden. In een windtunnel kan men een bepaalde windsnelheid én windrichting vastleggen. Een nadeel van metingen in een windtunnel is dat men met kleine modellen moet werken. Wanneer het model moet voldoen aan bepaalde aerodynamische eisen, moet de in te zetten windtunnel ook gigantische afmetingen hebben. De metingen zijn uitgevoerd binnen het EU project 'Mexico: Measurements and EXperiments In COntrolled conditions'. Het experiment bestond uit het instrumenteren van een rotor met een diameter van 4,5 m. Deze is geplaatst in de DNW windtunnel, die met een afmeting van 9,5 x 9,5 m2 de grootste tunnel van Europa is. In deze tunnel is vervolgens een uitgebreid meetprogramma uitgevoerd waarbij zowel de druk op de bladen gemeten werd, als ook details van de stroming rond bladen en rotor. Het experiment is medio december 2006 uitgevoerd en heeft reeds zeer unieke bevindingen getoond. Het project is uitgevoerd door een consortium bestaande uit 9 onderzoekspartners uit 6 landen waaronder Denemarken, Zweden, Griekenland en Israel. ECN is in dit project de coördinator.

Begin mei spreekt VROM-minister Cramer de wens uit om de productie van windenergie op het vasteland te gaan verdubbelen van 1500 naar 3000 megawatt. Bestaande molens moeten worden vervangen door veel grotere exemplaren. Daarnaast zijn er volgens haar nog veel lege terreinen die door de provincies wel zijn aangewezen als windmolenpark, maar waar nog niets is gebouwd. Die moeten snel worden benut aldus de minister.

Uit eind juni gepubliceerde cijfers van het CBS blijkt dat de productie van energie met windmolens in Nederland sinds 2001 is verdrievoudigd. De jaarlijkse groei van het aantal windmolens nam af, maar de capaciteit per molen groeide. Eind 2006 waren er 1828 windturbines op het land en in zee. In 2001 produceerden de molens bij elkaar 500 megawatt. In 2006 was dat 1500 megawatt. In 1995 werden 350 molens in gebruik genomen. Dat aantal was in 2006 afgenomen tot ruim honderd.

ECN heeft begin juli in China twee samenwerkingsovereenkomsten getekend met de China Academy of Sciences (CAS). De twee organisaties gaan samen onderzoek doen naar windenergie, zonnepanelen en brandstofcellen. De ondertekening vond plaats tijdens een handelsmissie van het ministerie van Economische Zaken. ECN gaat met de academie de haalbaarheid onderzoeken van een gemeenschappelijk Wind Energy Research Centre in de Chinese stad Baodin. China is één van de snelst groeiende markten ter wereld op het gebied van windenergie. In een jaar of zes is China van een paar honderd megawatt vermogen gestegen naar een zesde plaats op de wereldranglijst, met ongeveer 2600 MW vermogen. De Sino-Dutch Wind Energy Research Centre moet resulteren in een grote testfaciliteit voor windturbinebladen en een proefveld om prototypes van windturbines te testen. Veel van de technologie die China gebruikt is afkomstig uit Europa. Inmiddels is China bezig om een eigen maakindustrie op te bouwen en een inhaalslag te maken op R&D-gebied. Met de samenwerking kan de China Academy of Sciences op korte termijn veel capaciteit opbouwen met behulp van onze kennis en ervaring. ECN krijgt hiermee toegang tot de snelgroeiende Chinese markt en kan op termijn Chinese wetenschappers betrekken bij eigen onderzoeksprojecten.

Half augustus wordt door SenterNovem de website www.windenergie.nl gelanceerd. De site richt zich vooral op professionals op het gebied van windenergie op land. De informatie is onderverdeeld in de thema's Beleid en markt, Techniek, Economie, Omgeving en Implementatie. Daarnaast worden data gepresenteerd, bijvoorbeeld statistieken over windenergie in Nederland en Europa en een overzicht van windenergie projecten in Nederland.

Eind oktober meldt de fabrikant van windturbines en windparken EWT dat het bedrijf in maart 2008 een notering krijgt aan de London Stock Exchange. Bij de beoogde beursgang is Euronext Amsterdam afgevallen. EWT is volgens de grootaandeelhouder Keilman €400 mln tot €600 mln waard en wil bij de beursgang €150 mln tot €250 mln kapitaal ophalen voor de financiering van het bedrijfsplan. De onderneming heeft een windpark in Zeeland gebouwd en bereidt de ontwikkeling van grote windmolenparken voor in China, Turkije en Californië. De waarde van de orderportefeuille bedraagt €1 mrd. De winstverwachting voor rente, belastingen en afschrijving voor 2007 is €5 mln tot €6 mln. Volgens EWT is met windenergie zelfs zonder staatssteun een goede boterham te verdienen. Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) stelt echter dat de kostprijs van elektriciteit van windmolens nog altijd hoger is dan de marktprijzen van gewone stroom. Het verlies komt volgens ECN in 2008 op 3,6 eurocent per kilowattuur te liggen en in 2020 op 1,7 eurocent. Windmolens op zee zijn nog duurder. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs komt tot dezelfde conclusies. Volgens de EWT-commisaris Keilman houden de aannames van ECN en IEA geen rekening met de technologie waarover EWT bedrijf beschikt: de zogenoemde 'direct drive'-technologie. Voor deze techniek is geen tandwielkast nodig en dat scheelt 30% tot 40% in de totale kosten.

Het Duitse industriële bedrijf Siemens meldt begin september in het Financiële Dagblad dat het van plan is in oktober in Den Haag een nieuw kenniscentrum voor offshore windtechnologie te openen. Het ligt in de bedoeling dat er binnen anderhalf jaar twintig mensen werken aan de ontwikkeling van windturbineparken op zee. Het nieuwe Nederlandse kenniscentrum richt zich op technisch projectmanagement, het verbeteren van simulatietechnieken om de belastingen op de turbines te berekenen en het ontwikkelen van transport- en installatiemogelijkheden voor off-shore windparken.

ECN heeft een softwarepakket ontwikkeld dat de onderhoudskosten van een offshore-windpark in de planningsfase in gedetailleerd in kaart brengt. Hiermee zijn volgens ECN de onderhoudskosten van windparken op zee beter te voorspellen. Het softwarepakket is in september gevalideerd door het classificatiebureau Germanischer Lloyd en biedt de mogelijkheid om vooraf snel en eenvoudig de invloed van vele factoren te bepalen op de kosten voor onderhoud en bedrijfsvoering van offshore windparken. Hierbij valt te denken aan de betrouwbaarheid van de windturbines, arbeidskosten, kosten van reserveonderdelen en (kraan)schepen, of de beperkte toegankelijkheid ten gevolge van wind- en golfcondities. Het ECN pakket biedt de mogelijkheid om snel en eenvoudig vele factoren in te voeren, waarna de mogelijke gevolgen en kosten worden doorgerekend. In eerste instantie helpt het pakket de ontwikkelaars van (offshore) windparken inzicht te krijgen in de onderhoudsproblematiek met al z'n details. Verder biedt het ontwikkelaars de mogelijkheid exploitatiebeslissingen te nemen voor de langere termijn. Zo kan met het model worden bekeken of een hotelboot voor personeel, ondanks de aanzienlijke kosten, misschien toch voordeliger uitpakt dan heen en weer varen. Al vòòr de validatie werd het model door projectontwikkelaars over heel de wereld aangeschaft. Het wordt geleverd met een complete en gebruiksvriendelijke handleiding en indien gewenst wordt een driedaagse training gegeven om het gebruik te optimaliseren.

Het kabinet heeft in november drie vergunningaanvragen voor de bouw van windparken op drie Noordzeelocaties (Den Haag II, IJmuiden en Katwijk) afgewezen vanwege de scheepvaartveiligheid. Toch blijft de doelstelling van het kabinet om gedurende deze regeerperiode 450 MW aan offshore windvermogen op te stellen onverminderd staan. De afwijzing voor de locaties werd ingegeven door een advies van de nautische adviesgroep die speciaal was opgericht ter beoordeling van offshore initiatieven. In tegenstelling tot wat eerder in de milieu-effectrapportage (MER) werd geconcludeerd luidde het advies dat de drie genoemde windparken een bedreiging zouden vormen voor de scheepvaartveiligheid.

Darwind, partner van Econcern heeft in december het ontwerp van de DD 115 windturbine afgerond. De offshore windturbines hebben een hoog vermogen en gaan uit van de ‘direct drive’ magneettechnologie. De offshore windenergiemarkt zal in de toekomst een sleutelrol spelen. Nu onderzoekt Darwind mogelijke productielocaties langs de Noordzee kust. Een beslissing wordt verwacht in het eerste kwartaal van 2008.



Terug naar thema Duurzame energie 2007