CCS (CO2-afvang en –opslag)

Berichten uit
2008

Het Duitse energiebedrijf RWE en de Rijksuniversiteit Groningen tekenen half maart een samenwerkingsovereenkomst voor 4 jaar voor onderzoek naar de afvang en opslag van CO2 en het gebruik van duurzame biomassa voor de opwekking van energie. Het Energy Delta Research Centre (EDReC) voert het onderzoek uit. Bij het programma met RWE zijn de Juridische Faculteit en de Faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen betrokken. Naar alle waarschijnlijkheid zal ook de faculteit Economie en Bedrijfskunde bij het onderzoek worden betrokken.

Tijdens de opening van een proefinstallatie voor CO2-afvang van TNO spreekt de VROM-minister Cramer de verwachting uit dat ondergrondse opslag van koolstofdioxide pas in 2020 op grote schaal toepasbaar in Nederland zal zijn. De testfaciliteit staat bij de kolencentrale van E.ON op de Maasvlakte bij Rotterdam. De energieproducent wil daar een tweede kolencentrale bouwen. Onderzoekers gaan onder meer bekijken of bepaalde vloeistoffen zich kunnen binden aan rookgassen. Het milieu kan gebaat zijn bij het opslaan van CO2 in de grond, maar de kosten zijn nu nog te hoog voor commerciële toepassing. Ook is de methode niet onomstreden.

De Nederlandse Gasunie en het Duitse energiebedrijf RWE gaan een samenwerkingverband aan om faciliteiten te kunnen ontwikkelen voor de afvang en het transport van CO2 in Noord-Nederland. RWE richt zich op het afvangen van CO2 en Gasunie op het transport. Per jaar zal 200.000 ton CO2 worden afgevangen en opgeslagen, waardoor 100.000 huishoudens een jaar lang duurzame, CO2 vrije stroom kunnen gebruiken. Voor de opslag van CO2 kan gebruik worden gemaakt van lege gasvelden. Uitgaande van de bouw van de RWE biomassa/poederkool gestookte centrale in De Eemshaven, zal het CO2 project in 2015 operationeel zijn. Het project vergt een gezamenlijke investering van ongeveer €100 miljoen waarvan een deel wordt gedekt door subsidies. Het project in Noord Nederland wordt één van de eerste CO2-ketens voor elektriciteitsproductie ter wereld. Ook de Rijksuniversiteit Groningen zal vanwege haar samenwerking met RWE bij het CO2-project worden betrokken.

Vier projecten van verschillende aardgasbedrijven proberen 30 miljoen euro van de overheid binnen te krijgen om kooldioxide (CO2) in een uitgeput aardgasveld op te slaan. De overheid maakt naar verwachting in juni bekend welke twee voorstellen de aanbesteding krijgen. Mogelijke kanshebbers zijn Shell en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). Shell en de NAM willen in Barendrecht CO2 dat is vrijgekomen bij de raffinaderij van Shell in Pernis via pijpleidingen naar Barendrecht brengen en daar opslaan in lege aardgasvelden. Bewoners van Barendrecht zijn niet enthousiast, maar volgens een woordvoerder van Shell is er geen gevaar. De velden liggen 2 á 3 kilometer onder de grond in een afgedichte laag. Bovendien is kooldioxide niet giftig, niet explosief en niet brandbaar.

Ministers van olieproducerende landen en olieconsumerende landen zijn het erover eens, dat er meer grootschalige projecten moeten komen om het broeikasgas CO2 op te slaan en dat internationale samenwerking nodig is om dit commercieel haalbaar te maken. Dit staat in de slotverklaring die delegaties uit meer dan 74 landen die half april deelnamen aan een conferentie van het International Energy Forum (IEF) in Rome. Nederland wil bij het ondergronds opslaan van CO2 vooral samenwerken met Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Saudi-Arabië. Tijdens de IEAF-conferentie kondigde EZ-minister van der Hoeven ook aan dat Nederland samen met Saudi-Arabië op 30 juni en 1 juli een internationale conferentie zal organiseren over de opslag van kooldioxide. De Nederlandse overheid heeft al €55 miljoen aan subsidie gestoken in 5 proefprojecten om CO2 op te slaan. Men hoopt dat de techniek in 2015 rijp is voor een grootschalig project. Omdat het opslaan van CO2 een kostbare zaak is, vindt de minister dat financiering moet plaatsvinden met de opbrengst van emissierechten voor CO2. Als Nederland een oplossing voor het broeikasprobleem heeft, zal ons land daar volgens de minister geld mee kunnen verdienen.

CATO (CO2-Afvang, -Transport en –Opslag) is een onderzoeksprogramma en kennisnetwerk voor CCS (CO2 Capture and Storage). Er wordt o.a. onderzoek gedaan naar nieuwe CO2-afvang technieken en naar specifieke opslagmogelijkheden in Nederland. Voor de duur van vijf jaar, waarvan 2008 het laatste jaar was, werkten KEMA, TNO, ECN en enkele universiteiten samen met bedrijven als SHELL, NAM, Gasunie, en ook met Greenpeace en het Wereld Natuurfonds. Het CATO-onderzoek richt zich daarbij ook op de publieke acceptatie van CCS. Voor het afvangen van CO2 zijn in principe drie technologieën beschikbaar: post-combustion, pre-combustion en stikstofloze verbranding. Post-combustion is CO2-afvang uit rookgassen die na het verbrandingsproces ontstaan. Een voorbeeld van post-combustion is de in maart opgestarte pilot-installatie van TNO op de Maasvlakte. Pre-combustion zorgt voor verwijdering van CO2 vòòr het verbrandingsproces. Er staat een testinstallatie voor pre-combustion bij ECN die gebruik maakt van membranen. In december 2007 is de SEWGS-proefinstallatie geopend. Deze zet koolmonoxide en stoom om in waterstof en CO2. De CO2 wordt afgevangen en kan vervolgens ondergronds worden opgeslagen. Ook is ECN betrokken bij een grote pilot-installatie van NUON voor pre-combustion afvang bij de kolenvergasser in Buggenum. De derde techniek, stikstofloze verbranding, werkt met zuivere zuurstof en recirculatie van CO2. Volgens de uitkomsten van een onderzoek naar de maatschappelijke perceptie van CCS zijn Nederlanders zich niet bewust van de mogelijkheden die CCS biedt. Aan het einde van 2008 loopt het CATO-project af, maar de voorbereidingen voor het vervolgproject CATO2 zijn al begonnen. Dit project zal ondersteund worden door industrie, energiebedrijven en overheid. De plannen van de Europese Commissie laten zien dat tegen 2015 tien tot twaalf grote demonstratieprojecten in Europa gerealiseerd zijn, waarbij elektriciteitscentrales gebouwd zullen worden met CO2-afvang en -opslag. De overheid wil één of twee van deze grote projecten naar Nederland halen. De unit Waterstof en Schoon Fossiel van ECN gaat in CATO2 de technologie verder ontwikkelen om CO2-afvang goedkoper te maken. Overigens zal de unit Beleidsstudies van ECN een significante bijdrage gaan leveren in het onderzoek naar de maatschappelijke acceptatie van CCS.

Het Duitse energieconcern E.ON is van plan om € 10 mln te investeren in CATO-2. De proeffabriek is begin april in gebruik genomen en heeft als doel het testen en ontwikkelen van nieuwe absorptiemiddelen, gas/vloeistof-contactmiddelen en concepten om de procesintegratie te verbeteren.

De gemeente Rotterdam meldt begin juli dat ze in 2009 vier proefprojecten wil opstarten voor de ondergrondse opslag van CO2. In een rapport van de regio Rijnmond ('CO2-afvang, -transport en -opslag in Rijnmond, rapportage 2008'), opgesteld door het Rotterdam Climate Initiative, wordt aangegeven dat de overheid €150 miljoen zou moeten bijdragen op een totale investering van €400 miljoen. Daarmee moet in 2025 bereikt worden dat de helft minder CO2 wordt uitgestoten ten opzichte van 1990. Nederland beschikt over mogelijkheden om CO2 op te slaan in lege gasvelden en waterhoudende lagen. Daarnaast loopt er sinds 2005 een pijpleiding van de Shell raffinaderij in het Botlekgebied naar tuinders in het Westland en naar Aalsmeer. Er moeten ook nog pijpleidingen komen naar Hoek van Holland en Barendrecht, hoewel er vooral in Barendrecht verzet is gerezen bij de bevolking tegen de opslag van CO2.

Nederlanders twijfelen over de veiligheid van CO2-opslag, maar nog meer over nut en noodzaak. Dat blijkt uit het rapport ‘Schoon fossiel of vuilstort?’ dat het Rathenau Instituut op 4 september aanbiedt aan de woordvoerders Energie van diverse Tweede Kamerfracties. Het rapport geeft een overzicht van argumenten van burgers vòòr en tègen CO2-opslag. Het geeft concrete aanbevelingen voor een open dialoog met de samenleving. Zonder maatschappelijk draagvlak kunnen de kabinetsdoelstellingen voor CO2-reductie moeilijk gehaald worden. Op politiek niveau is er het afgelopen anderhalf jaar veel gediscussieerd over CO2-afvang en -opslag. Overheid, industrie en maatschappelijke organisaties werken samen onder de vlag van EnergieTransitie aan de ontwikkeling van deze technologie. De discussie over de wenselijkheid van CO2-opslag is echter nog niet afgelopen. Uit eerder onderzoek bleek ook al dat burgers de opslag van CO2 met een krappe voldoende waarderen, hoewel de precieze, achterliggende redenen hiervoor niet goed bekend zijn. Vandaar dit nieuwe onderzoek om daar meer duidelijkheid over te krijgen.

Afvang van CO2 bij kolencentrales kan leiden tot een uitwisseling van milieueffecten. Dat suggereert een recente wetenschappelijke studie uitgevoerd door medewerkers van de Universiteit Utrecht. In de studie werd onderzocht wat het effect is van het inruilen van CO2-reductie voor andere milieueffecten met ook aandacht voor het ontstaan van win-win situaties voor het milieu. Hiertoe is een analyse uitgevoerd van de levenscyclus (LCA) voor het opwekken van elektriciteit in kolencentrales met en zonder CO2 afvang, transport en opslag (CCS). In een LCA worden de ingrepen op het milieu van alle processen van de kolenmijn tot kilowattuur (kWh) ingedeeld naar milieuthema en bij elkaar opgeteld. Daarbij is de post-combustion technologie onderzocht, waarin CO2 ná verbranding met een oplosmiddel wordt gescheiden van de rookgassen . De studie wijst uit dat de afvang, het transport en de opslag van CO2 kunnen leiden tot meer negatieve effecten op het milieu. Er moeten door de energie-intensiteit van het afvangen en transporteren meer kolen worden verbrand per kilowattuur. En dat resulteert weer in hogere NOx emissies per kWh. Ook emissies die plaatsvinden tijdens het winnen en transporteren van bijvoorbeeld de kolen nemen toe. Wel positief is het effect van CCS op de uitstoot van broeikasgassen die per kWh met ongeveer 70% kunnen dalen. Het onderzochte CO2-afvang proces kan ook direct tot een verandering van emissies leiden, zoals het geval is voor de emissies van zwaveloxides (SOx) en ammoniak. Daarentegen geldt voor de gehele levenscyclus een toename van de emissie van zwaveloxides en ammoniak. Momenteel wordt er wereldwijd en in Nederland, onder andere binnen het CATO-onderzoekprogramma, onderzoek gedaan naar goedkope, energiezuinige en milieuvriendelijke) oplosmiddelen. Tegelijkertijd worden ook andere manieren van CO2-afvang onderzocht, ontwikkeld en getest. Bijvoorbeeld het afvangen van CO2 vòòr verbranding (pre-combustion) en verbranding in nagenoeg pure zuurstof in combinatie met afvang. Harde conclusies kunnen er op basis van het onderzoek niet worden getrokken. De effecten op het milieu van de verschillende CO2-afvang technologieën zijn daar nog te onzeker voor.

Nogepa (Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association) heeft door TNO en DHV een onderzoek uit laten voeren naar het potentieel aan opslagcapaciteit voor CO2 in lege gasvelden op het Nederlands Continentaal Plat. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat circa 35 procent (55 gasvelden) van alle gasvelden op het Continentale Plat geschikt lijken voor de opslag van kooldioxide. Het doel van het onderzoek was het in kaart brengen van de geschiktheid en capaciteit van bestaande gasvelden en infrastructuur (pijpleidingen en platforms). Daarbij is gekeken naar de snelheid waarmee CO2 in bestaande velden geïnjecteerd kan worden, de manier waarop vraag en aanbod op elkaar aansluiten, de randvoorwaarden voor CO2-transport en mogelijke ‘showstoppers’. In de studie is uitgegaan van een opslag van 20 Mton CO2 per jaar. De geschikte velden hebben een gezamenlijke opslagcapaciteit van ruim 900 Mton. De overige velden zijn waarschijnlijk te duur om ingezet te worden voor CO2-opslag, omdat ze te klein zijn (30 procent) of nu al zijn ingesloten (ruim 10 procent). Aangezien productieplatforms, die zijn aangesloten op uitgeproduceerde gasvelden, in sommige gevallen zullen worden ontmanteld voordat er sprake kan zijn van CO2-opslag, zal de uiteindelijk beschikbare capaciteit naar verwachting lager uitvallen dan verondersteld. Omdat het plaatsen van nieuwe platforms en het boren van putten enkel voor CO2-opslag vanuit technisch oogpunt gezien gecompliceerd en kostbaar is, gaat de voorkeur uit naar het opnieuw benutten van bestaande platforms en putten. Het hergebruik van bestaande gastransportleidingen is problematischer, omdat de ontwerpdruk van deze leidingen vaak lager ligt dan vanuit technisch oogpunt optimaal zou zijn voor CO2-opslag. Daarnaast komen hoofdleidingen pas beschikbaar op het moment dat het laatste reservoir dat op deze leiding is aangesloten, is uitgeproduceerd. Hierdoor sluiten vraag en aanbod van opslagcapaciteit niet altijd op elkaar aan in de tijd. De verwachting is dat tot 2020 uitsluitend pilot- en demonstratieprojecten uitgevoerd zullen worden. Voor 2020 zal er geen sprake zijn van CO2-opslag op grote schaal op het Nederlands Continentaal Plat. Een van de redenen hiervoor is dat de techniek van CO2-afvang nog in de kinderschoenen staat. Inmiddels wordt op nationaal en Europees niveau gewerkt aan een passend juridisch kader voor CO2-opslag. Nogepa beraadt zich op dit moment over de invulling van de volgende fase van deze studie. Hierbij wordt in ieder geval aandacht besteed aan het kostenaspect van verschillende transport- en opslagscenario’s. De resultaten van deze tweede fase worden eind 2008 verwacht.

Systemen voor de opvang en opslag van CO2 (CCS) kunnen kostendekkend worden vanaf 2030. Dat blijkt uit een half september gepubliceerd rapport van de consultant McKinsey. CCS-installaties kunnen in 2030 ongeveer 20% van de totale CO2-reductie in de EU voor hun rekening kunnen nemen. De geschatte kosten voor opvang en opslag van 1 ton CO2 bedragen voor nieuwe CCS-kolencentrales €30-45. Dat is ongeveer gelijk aan de prijs die bedrijven in 2030 verwachten te moeten betalen voor het recht om 1 ton CO2 uit te stoten onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Om dat effect te realiseren moet men echter wel op korte termijn beginnen met de bouw van de nieuwe centrales. In de aanloopfase liggen die kosten veel hoger en zullen nieuwe kolencentrales €60-90 kwijt zijn voor de opvang en opslag van 1 ton CO2.

Begin oktober doet de Milieu Commissie van het Europese Parlement het voorstel om bedrijven 50 jaar verantwoordelijk te houden voor de opslag van CO2. De Europese Commissie had eerder al voorgesteld om verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid meteen na sluiting over te dragen naar de overheid van het land waar de opslagplaats zich bevindt. De milieucommissie wil echter dat deze overdracht tenminste 50 jaar na sluiting plaats vindt. Het Europarlement zal het voorstel van de milieucommissie in december beoordelen. Het wetsvoorstel geeft aan dat een opslagplaats pas gesloten mag worden, als is aangetoond dat de kans op lekkage nihil is. Ook stelt de Milieu Commissie voor om €10 miljard te investeren in CCS-demonstratieprojecten. De projecten kunnen gefinancierd worden uit de opbrengst van de veiling van CO2-rechten na 2012. Volgens de Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) en haar Europese zusterorganisatie IFIEC Europe leidt een en ander tot onzekerheid en onnodig hoge kosten voor de Europese industrie. De milieucommissie wil dat alle grotere elektriciteitscentrales (>300 MW), die vanaf 2015 worden gebouwd, worden voorzien van CCS-technologie. Dergelijke centrales mogen maximaal 500 gram CO2 per kWh per jaar uitstoten. Maar in november lijkt de Europese Unie al weer terug te komen op de plannen om miljarden te investeren in CCS-technologie.

VROM-minister Cramer stelt subsidiegeld beschikbaar voor twee geplande projecten voor ondergrondse opslag van CO2. Het gaat om de projecten van de Shell Nederland Raffinaderij in Barendrecht en van GTI Zuidoost in Geleen. Hiermee is ongeveer €60 mln gemoeid. Voordat de projecten kunnen worden uitgevoerd moeten de noodzakelijke MER- en vergunningenprocedures worden gevolgd.

In de gemeenteraad van Barendrecht werd geopperd dat er in Noorwegen een lek was ontdekt in een ondergrondse opslag van CO2. Volgens een woordvoerder van Shell is dat verhaal echter nergens op gebaseerd. De opslag van gas wordt in Noorwegen op dezelfde manier begeleid als voor Barendrecht. De gemeenteraad heeft een ‘CO2-toetskader' vastgesteld om daarmee de voorwaarden waaraan het Shell CO2-project moet voldoen helder te krijgen. In het toetskader worden de volgende onderdelen uitgewerkt: veiligheid, risicoanalyse, geologisch onderzoek, waardeverandering woningbestand, juridische zaken en monitoring. Op basis van de antwoorden op de vragen uit het toetskader kan de gemeente zich op zijn vroegst in april 2009 uitspreken voor of tegen de opslag van CO2.



Terug naar thema Overheid en energiebeleid 2008