Luchtverontreiniging

Berichten uit
2008

De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) heeft onlangs een belangrijke stap gezet om luchtvervuiling door scheepvaart terug te dringen. Luchtvervuiling door zeescheepvaart is wereldwijd een groot probleem waar jaarlijks tienduizenden mensen eerder door overlijden. Op 4 april heeft IMO, de VN-organisatie voor zeescheepvaart, een unaniem besluit genomen over schonere brandstof voor de zeescheepvaart. In 2020 dienen alle zeeschepen te varen op brandstof met een maximum zwavelgehalte van 0,5 procent. Dat is nu 4,5 procent. Daarvoor zijn wereldwijde investeringen bij de raffinaderijen nodig van €50 miljard. Voor een gebied als ‘Rijnmond’ betekent dit dat raffinaderijen met circa 20 procent uitgebreid of vervangen moeten worden. Naar verwachting wordt het besluit in oktober 2008 definitief aangenomen. Voorafgaand aan het besluit heeft ECN in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een adviesrapport geschreven over onder meer de tijdsduur en kosten die nodig zijn voor raffinaderijen om over te gaan op het produceren van schoner brandstof. Die adviezen zijn in lijn met het IMO akkoord. Andere vergelijkbare studies bevestigden de berekeningen van ECN. Raffinaderijen krijgen nu de tijd om tot 2020 de installaties aan te passen. ECN heeft in het rapport ook aangegeven dat maatregelen in dichtbevolkte kustgebieden het grootste milieuvoordeel opleveren. De Noordzee en Oostzee zijn momenteel al gebieden waar een 40% schonere brandstof gebruikt moet worden. In 2015 zal in deze gebieden tot 60% minder zware metalen, fijnstof en zwavel door zeeschepen worden uitgestoten dan nu het geval is. Hiermee wordt de buitenlucht in Nederland in 2015 meetbaar schoner.

 

De nieuw opgerichte Task Force on Reactive Nitrogen (TRFN) van de Verenigde Naties pakt sinds mei 2008 de stikstofproblematiek geïntegreerd aan. Een initiatief waar ECN al ruim tien jaar aan werkt. De grote toename van stikstof verbindingen in het milieu heeft wereldwijd ernstige gevolgen voor onder andere de menselijke gezondheid, biodiversiteit en het veranderende klimaat. Een publicatie in het meinummer van het wetenschappelijke blad Science biedt oplossingsrichtingen om in ieder geval de groei van stikstofverbindingen te beperken. Kennis over oorzaken, gevolgen én mogelijke oplossingsrichtingen zullen worden vastgelegd in de Europese Stikstof Assessment en staan voor een deel verwoord in het Science-artikel (‘Transformation of the nitrogen cycle: recent trends, questions and potential Solutions’). De Task Force is een onderdeel van de UNECE Convention on Long Range Transboundary Air Pollution en wordt gezamenlijk door Groot-Brittannië en Nederland voorgezeten. ECN organiseerde samen met het ministerie van VROM in 1998 de eerste international stikstofconferentie in Nederland omdat duidelijk werd dat de uitstoot van stikstof alleen maar toe zou nemen gezien de groeiende behoefte aan voedsel en energie. Dit was de eerste stap die via diverse conferenties, overeenkomsten en onderzoeksprogramma’s, heeft geleid tot de bewustwording van het probleem. Bij ECN zijn instrumenten ontwikkeld waarmee de concentraties en emissies naar de lucht en bodem/water gekwantificeerd kunnen worden. Verder is in het energie onderzoeksinstituut veel onderzoek gedaan naar de integrale aanpak van de stikstofproblematiek om de verliezen naar het milieu te beperken zonder dat dit ten koste gaat van de behoefte van de mens. In 2004, tijdens de 3e stikstofconferentie in China heeft dit geleid tot de Nanjing Declaration voor stikstofmanagement. Deze kennis en die van vele anderen worden in de wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s NinE (Nitrogen in Europe) en COST 729 (Assessing and managing N-fluxes in the atmosphere-biosphere system in Europe) samengevoegd.

ECN heeft een nieuwe katalysetechnologie ontwikkeld waarmee de uitstoot van lachgas (N_2O) substantieel verminderd kan worden. Het Amerikaanse bedrijf CRI Catalyst Company LP (CRI) gaat de technologie wereldwijd op de markt brengen. De technologie van ECN is onder verschillende omstandigheden getest, levert een N_2O-vermindering van meer dan 90 procent op, is robuust en in vergelijking met andere technologieën op de markt voordeliger. N_2O wordt in het Kyoto-protocol aangeduid als een belangrijk broeikasgas, waarvan de bijdrage per eenheid 310 keer zo groot is als die van CO2. Dat betekent dat een kilogram N_2O net zoveel bijdraagt aan het broeikaseffect als 310 kilogram CO2. In Europa is de chemische industrie de belangrijkste bron, vooral bij de productie van salpeterzuur in de kunstmestindustrie. ECN verleent CRI het exclusieve recht om de technologie voor N_2O-verwijdering wereldwijd op de markt te brengen.

Ruim vierhonderd organisaties hebben in 2007 hun CO2-uitstoot gecompenseerd via de Climate Neutral Group (CNG), een verdubbeling ten opzichte van 2006. Dat blijkt uit het jaarverslag 2006 dat CNG half augustus publiceerde. CNG is de Nederlandse marktleider op het gebied van CO2-compensatie. CNG compenseerde in 2007 voor zijn klanten bijna 200.000 ton van het broeikasgas CO2. Dat is overigens slechts een fractie (1 promille) van de totale Nederlandse uitstoot. CNG compenseert de CO2-uitstoot voor o.a. de Nederlandse Rijksoverheid, TNT Group, de Belastingdienst, Smart, BCD Travel en Advanced Travel Partner. Climate Neutral Group compenseert CO2-uitstoot door te investeren in duurzame energie- en bosprojecten.

Het Europees Milieuagentschap, de Wereldgezondheidsorganisatie en het EU Joint Research Centre stellen in het rapport ‘Impacts of Europe’s changing climate’ dat de effecten van klimaatverandering zichtbaarder worden in Europa. Zij bepleiten een consistent Europees en nationaal adaptatiebeleid. Zeespiegelstijging, een toename van extreme weersomstandigheden (zowel wateroverlast als tekorten), smeltende gletsjers en het verdwijnen van het poolijs zijn enkele van die effecten. Verder zijn er effecten voor diverse economische sectoren, menselijke gezondheid en biodiversiteit. Er zijn weliswaar ook positieve effecten zichtbaar (bijvoorbeeld een langer groeiseizoen voor landbouwgewassen), maar de negatieve effecten domineren. Voor Noord-West Europa zijn vooral de verwachte toenemende frequentie en intensiteit van weersextremen, zeespiegelstijging en de te verwachten schommelingen in rivierafvoeren van belang. Europees gezien zijn de meest kwetsbare sectoren watermanagement, landbouw, gezondheid, toerisme en energie. De meest kwetsbare gebieden zijn de Europese berg- en kustregio’s, de Mediterrane omgeving en de poolgebieden. Vooral om deze gebieden en sectoren te beschermen zijn naast stringente reducties in broeikasgasemissies, ook adaptatiemaatregelen noodzakelijk. Deze maatregelen kunnen volgens de auteurs (waaronder medewerkers van het Planbureau voor de Leefomgeving) zeer kosteneffectief zijn. De Europese Unie en de lidstaten kunnen een belangrijke rol spelen bij het intensiveren van de monitoring van de effecten van klimaatverandering. Dat is nodig om het adaptatiebeleid, dat in Europa van de grond begint te komen, beter vorm te kunnen geven.

Indien de EU onmiddellijk besluit tot verdergaande klimaatmaatregelen scheelt dat tot €25 miljard aan uitgaven voor gezondheidszorg, aldus een nieuw rapport (‘The co-benefits to health of a strong EU climate change policy’) dat begin oktober is gepresenteerd. Het rapport is opgesteld in opdracht van de Health and Environment Alliance (HEAL), het Climate Action Network Europe (CAN-E) en het Wereld Natuur Fonds (WNF). De onderzoekers bekeken wat er gebeurt bij een reductie van 30% CO2 in 2020 in plaats van de EU-doelstelling van 20%. Die maatregel kan naar schatting 6,5 - 25 miljard euro per jaar besparen aan gezondheidskosten als gevolg van 8000 minder ziekenhuisopnamen en 2 miljoen minder verloren werkdagen per jaar. De Europese Commissie schatte eerder dat jaarlijks 369.000 mensen in de EU vervroegd overlijden als gevolg van luchtvervuiling. Dit kost jaarlijks 3-9% van het Europese bruto nationaal product.

Half oktober spreekt Pier Vellinga zijn inaugurale rede (‘Hoogtij in de Delta’) uit als hoogleraar Klimaatverandering, water en veiligheid aan Wageningen Universiteit. Volgens de professor is de noodzaak voor Nederland om zich voor te bereiden op klimaatverandering urgent. Zeer waarschijnlijk hebben we geen honderd maar slechts dertig jaar of minder de tijd om te voorkomen dat de aarde de komende eeuwen zes tot tien graden warmer wordt en de zeespiegel zes meter, en op termijn nog meer meters, zal stijgen. Hij ziet echter wel een omslag in de meningsvorming, omdat de effecten van klimaatopwarming steeds meer zichtbaar worden en omdat door de schaarste en prijsontwikkeling van fossiele brandstoffen alternatieve bronnen en technologieën economisch interessant worden. Een en ander vergt ook een sterke sturing door de overheid, zowel bij de overgang naar een klimaatneutrale energievoorziening, als ook bij de bescherming tegen hoogwater. Vellinga stelt dat Nederland op water- en energiegebied voor belangrijke keuzen staat. Kiezen voor nieuwe kolen- en kerncentrales blokkeert echter de weg naar wind- en zonne-energie. Alleen centrales die op aardgas, kolengas of biogas draaien maken het mogelijk om zon en wind efficiënt in te passen. Gascentrales lenen zich bovendien ook heel goed om de CO2 ondergronds te bergen. Als we er wereldwijd in slagen in 2050 de emissie van CO2 met tachtig procent naar beneden te krijgen, kan het smelten van de ijskappen van Groenland en Antarctica vermoedelijk nog tot staan worden gebracht. Desondanks moet in Nederland rekening worden gehouden met een stijging van de zeespiegel van ruim een meter. De Deltacommissie heeft onlangs advies uitgebracht over de bescherming van het Nederlandse deltagebied en de aanpassing ervan aan klimaatverandering.

Volgens half oktober gepubliceerde ramingen van de Europese Commissie zullen de 15 West-Europese landen in 2010 de doelstelling van CO2-reductie ruimschoots halen: 11,3% i.p.v. de geplande 8%. Nederland haalt zonder meer 6,1% i.p.v. het doel van 6% en met de geplande maatregelen komt de reductie zelfs op 8,4%. Daarbij is echter nog niet meegeteld dat Nederland minder biobrandstof wil invoeren, zoals het kabinet vrijdag voorstelde.

Het Gerechtshof in Den Haag haalt in oktober een streep door de zogeheten fijnstoftaks, die het kabinet op 1 april 2008 had ingevoerd. De fiscale regeling, waarbij vuile dieselauto’s zwaarder worden belast dan schone, is volgens het Gerechtshof in strijd met Europese regels. Staatssecretaris De Jager (CDA) van Financiën moet de regeling binnen vier weken intrekken. De CDA-er onderzoekt nog of het zin heeft in cassatie te gaan bij de Hoge Raad. De belangenverenigingen Bovag en de RAI Vereniging hadden de zaak aangespannen en zijn uiteraard blij met de uitspraak. De lidstaten zijn overeengekomen dat strengere normen voor de uitstoot van fijnstof pas op 1 september 2009 van kracht worden. Het ministerie betwijfelt of het arrest van het Hof de schatkist geld gaat kosten. De Jager heeft eerder gezegd dat zo veel mensen door de maatregel een auto met roetfilter aanschaffen, dat de stimulering van schone auto’s hem meer geld kost dan de extra belasting op vuile auto’s hem oplevert. De fijnstoftaks kan schone auto’s tot 900 euro goedkoper maken. Vervuilende auto’s zijn door de regeling duizenden euro’s duurder.

Bedrijven die samenwerken in de verkoop van klimaatneutrale producten, willen hogere kwaliteitseisen voor klimaatprojecten. Ze gaan werken aan één keurmerk voor CO2-compensatie, gebaseerd op strengere normen dan nu door veel bedrijven worden gehanteerd. Dat staat in een rapport van vijf compensatiebedrijven (Essent, Visa Greencard, Greenchoice, Trees for Travel en Hivos) dat in oktober wordt gepubliceerd. In het rapport is de kwaliteit van klimaatneutrale aanbieders in Nederland voor het eerst geëvalueerd. Twee grote aanbieders, de Klimaatneutraalgroep en de Rabobank, vinden de samenwerking echter niet snel genoeg gaan en hebben het convenant opgezegd. De breuk wordt uiteraard betreurd door de overige partners. Het rapport noemt de werkwijze van alle beoordeelde compensatiebedrijven transparant en betrouwbaar, hoewel niet iedereen aan dezelfde eisen voldoet. Het kwaliteitsverschil zit vooral in de (buitenlandse) projecten waarmee de compensatie wordt behaald. Die zijn volgens verschillende normen beoordeeld, waardoor soms niet is aangetoond dat ze zonder klimaatgeld niet tot stand zouden zijn gekomen.

De Rijksoverheid en de energiebranches ondertekenen eind oktober het sectorakkoord Energie dat geldt voor de periode 2008-2020. Het akkoord richt zich op een gezamenlijke aanpak waarmee de klimaat- en energiedoelstellingen uit het klimaatplan van het kabinet moeten worden gerealiseerd. In het sectorakkoord worden afspraken gemaakt over wind op zee, wind op land, biomassa, zon-pv, CO2-afvang en -opslag (CCS), warmte, infrastructuur en onderzoek. De doelstellingen zijn 2% energiebesparing per jaar, 30% reductie van de CO2-uitstoot in 2020 en 20% duurzame energie in 2020. Energiebedrijven investeren in duurzame energieproductie en CO2-afvang en opslag en netbeheerders zorgen er voor dat de elektriciteitsnetten geschikt worden voor een sterke toename van decentraal opgewekt vermogen. Enkele politieke partijen, milieuorganisaties en het energiebedrijf Eneco tonen zich ontevreden over het akkoord. Vooral de afspraken over CO2-afvang en -opslag bij kolencentrales (CCS) vinden ze veel te vaag. Volgens Eneco is er geen garantie dat alle nieuwe kolencentrales worden uitgerust met techniek voor CCS. Het gevolg daarvan is dat tientallen jaren extra CO2-uitstoot zal plaatsvinden.

In het eind oktober verschenen CPB rapport 'Economische gevolgen van Schoon en Zuinig in 2020’ wordt gesteld dat de hogere CO2-reductie-doelstelling van Nederland ten opzichte van Europa 0,25 procent van bruto nationaal inkomen (bnp) in 2020 kan gaan kosten. Ook de hogere eigen doelstelling voor duurzaam opgewekte energie in 2020 kost Nederland meer: 0,2 procent van het bnp. In de studie zijn de gevolgen van een aantal beleidsscenario's geanalyseerd voor het jaar 2020. Nederland wil zijn broeikasgasemissies verder terugbrengen dan de voorstellen in het klimaat- en energiepakket van de Europese Commissie. In het werkprogramma 'Schoon en Zuinig' heeft het kabinet aangegeven de emissies in 2020 met 30 procent terug te willen brengen ten opzichte van 1990, ongeacht of andere landen dan klimaatbeleid voeren of niet. De Europese Commissie wil de emissies voor de hele EU met 20 procent verminderen wanneer de internationale klimaatonderhandelingen niet slagen en er een impasse ontstaat. Nederland heeft in het werkprogramma ‘Schoon en Zuinig’ echter 30 procent afgesproken. Komt er een Grote Coalitie (1 van de scenario’s in het rapport) van industrielanden en grote ontwikkelingslanden tot stand die gezamenlijk klimaatbeleid voeren, dan vermindert de Europese Unie zijn broeikasgasemissies met 30 procent, aldus het voorstel van de Europese Commissie. Nederland hoeft dan geen aanvullend beleid meer te voeren omdat de 30 procent doelstelling op Europees niveau wordt gehaald. Als die Grote Coalitie er echter niet komt en het internationale beleid in het Impasse-scenario terecht komt, dan moet Nederland zelf extra beleid voeren om het doel te realiseren. Nederland kan dan bijvoorbeeld meer emissiereducties aankopen met het Clean Development Mechanism (CDM) of een deel van de emissierechten die beschikbaar zijn voor de bedrijven die onder de emissiehandel vallen vernietigen in plaats van ze te veilen. Nederland loopt dan wel de opbrengst van verkoop van deze rechten mis. Ook kunnen maatregelen worden genomen om de emissies van de sectoren die niet onder de emissiehandel vallen te verlagen. Aankoop van CDM-emissiereducties is de goedkoopste optie.

Begin november wordt gemeld dat de milieuministers van de EU-landen het eens zijn geworden over de milieueisen die aan nieuwe auto’s moeten worden gesteld en de straffen voor autofabrikanten die de eisen voor minder CO2-uitstoot niet halen. Nieuwe auto’s mogen in 2020 niet meer dan 95 gram kooldioxide per gereden kilometer uitstoten. Nu ligt dat gemiddeld rond de 160 gram. Verder is afgesproken om de milieueisen gefaseerd tussen 2012 en 2015 in te voeren. Er moet nog worden onderhandeld met vertegenwoordigers van het Europees Parlement (EP) en het streven is om begin december een definitief akkoord te bereiken. Het EP wil dat nieuwe auto's in 2012 hooguit nog 120 gram CO2 per kilometer uitstoten. Het autoverkeer in Europa veroorzaakt een zevende van alle Europese CO2-uitstoot.

Half november meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat de uitstoot van broeikasgassen in Nederland tussen 1990 en 2007 met 3% is gestegen. Volgens berekeningen van het IPCC, weergegeven in het zogenaamde Kyoto-cijfer, zou de emissie van broeikasgassen in Nederland in de periode 1990-2007 in Nederland met 4% dalen. Met dat percentage ligt Nederland op koers om de Kyoto-doelstellingen te halen. De 3% toename die door het CBS is berekend komt vooral doordat emissies voor het internationaal transport geen onderdeel uitmaken van het Kyoto-cijfer. De uitstoot van broeikasgassen door het Nederlandse bedrijfsleven nam sinds 1990 slechts licht toe, terwijl de economie in deze periode fors groeide. Vooral de elektriciteitsbedrijven en de vervoerssector zijn debet aan de toename van de emissies. Dat de CO2- uitstoot door bedrijven de laatste zeventien jaar niet harder is gestegen, is vooral te danken aan een efficiënter gebruik van energie. Daarnaast heeft de groei van het aandeel diensten in de economie de emissietoename getemperd. De dienstensector is gemiddeld minder vervuilend dan bijvoorbeeld de industrie.

Uit een in november gepubliceerd rapport van CE blijkt dat twee op de drie Nederlanders zich zorgen maakt over het klimaat. In het onderzoek werd mensen gevraagd aan te geven hoe de overheid een belastingmeevaller van één miljard euro zou moeten besteden om maatschappelijke problemen op te lossen. Hierop kenden de Nederlanders de gezondheidszorg het meeste geld toe: 22%, gevolgd door het onderwijs: 18%. Het klimaat krijgt van de burgers 12% toegewezen, terwijl men voor het oplossen van het fileprobleem 11% over heeft. 46 procent van de ondervraagden vindt dat het bedrijfsleven met regelgeving gedwongen moet worden mee te werken aan oplossingen voor het klimaatprobleem. Zo vindt meer dan de helft dat supermarkten verplicht moeten worden koel- en vriesvakken af te dekken. Als het aan de ondervraagden zelf ligt, komt hun eigen bijdrage aan een beter klimaat echter voort uit een combinatie van regels en vrijwilligheid. Minder heil zien de Nederlanders in het beprijzen van klimaatemissies. Toch blijkt uit de praktijk van de huidige ecotaks dat beprijzen het meest effectieve instrument is voor besparingen op het huishoudelijke energiegebruik.

De Europese Commissie (EC) keurt in november een omvangrijk pakket maatregelen goed waarmee de EU de ambitieuze energie- en klimaatdoelstellingen moet halen. De voorstellen richten zich onder meer op etikettering van elektrische apparaten, energiezuinige gebouwen, betere autobanden, warmtekrachtkoppeling en windenergie op zee. Ook streeft de EC naar een grotere energieonafhankelijkheid. De maatregelen zijn een aanvulling op het klimaatplan dat de Europese Commissie begin 2008 presenteerde en waarover nog volop wordt onderhandeld tussen de lidstaten. Dat plan voorziet vooral in een versterking van het emissiehandelssysteem (ETS) en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.

In totaal 75.000 Nederlanders hebben in november hun handtekening gezet voor invoering van een speciale klimaatwet waarin klimaatdoelen worden geregeld. In Groot-Brittannië is een dergelijke wet in werking getreden, onder andere na een actie van de Britse zustermilieuorganisatie van Milieudefensie ‘Friends of the Earth’. Bij de Nederlandse actie zijn naast Milieudefensie, de Stichting Natuur en Milieu en Oxfam Novib ook dertig andere maatschappelijke organisaties betrokken De Nederlandse Tweede Kamer wordt nu opgeroepen het Britse voorbeeld te volgen en ook gehoor te geven aan het maatschappelijke verzoek om krachtig, maar vooral ook consequent klimaatbeleid vast te leggen. Zo moet de regering onder de aparte wet worden gebonden aan strikte tussendoelen voor verlaging van de CO2-uitstoot en de ontwikkeling van duurzame energie. Ook bevat de klimaatwet concrete doelstellingen waarmee Nederland kan bijdragen aan de totstandkoming van een internationaal adaptatiefonds. Implementatie van de nieuwe wet zou gelijk betekenen dat Nederland het klimaatbeleid gaat voeren waarmee de doelen voor het nieuwe internationale klimaatverdrag bereikt kunnen worden. De maatschappelijke organisaties willen met de klimaatwet dat de verantwoordelijkheid voor het klimaatbeleid van de verschillende ministeries bij de minister-president komt. Die moet voortaan op Prinsjesdag een koffertje met een klimaatnota aanbieden aan de Tweede Kamer.

1 december beginnen in Poznan, Polen, de onderhandelingen over een vervolg op het Kyoto-protocol. De onderhandelingen zijn een opmaat naar het klimaatverdrag dat eind 2009 in Kopenhagen gereed moet zijn. Het Kyotoprotocol loopt in 2012 af, het nieuwe verdrag moet de periode tot 2050 regelen. Een aantal rijke landen heeft zichzelf al opgelegd per 2020 de CO2-uitdstoot met 25% te verminderen. Minder rijke landen willen niet verder gaan dan 10%. De CO2-uitstoot is volgens VN-cijfers in 2007 wereldwijd niet gedaald, maar met 0,5% gestegen. Tijdens de EU-top in Brussel op 11 en 12 december zal worden onderhandeld over het plan om de reductie van CO2 met 20% te verminderen in 2020, zelfs met 30% als de rest van de wereld meedoet De onderhandelingen in Brussel en Poznan zijn niet los van elkaar te zien.

VROM is in december gestart met de campagne 'Nederland gaat voor een beter klimaat'. De campagne laat zien dat duurzaam handelen voor de overheid en veel bedrijven al heel gewoon is. Met de campagne wil VROM ook laten zien dat milieuvriendelijk handelen geld bespaart. Zo denkt het ministerie mensen aan te sporen tot klimaatvriendelijk gedrag. Op radio en televisie zijn regelmatig commercials te horen en te zien. Op de campagnesite roept VROM iedereen op ideeën, ervaringen en beeld te plaatsen zodat duurzaam leven en ondernemen in Nederland de gewoonste zaak van de wereld wordt. De campagne leunt op drie pijlers: mensen uitnodigen milieuvriendelijk te handelen; zichtbaar maken dat de overheid en bedrijven al veel duurzame activiteiten ondernemen en mensen inspireren zich in te zetten voor een beter klimaat. Partners van VROM voor de campagne zijn de gemeenten Rotterdam, Breda en onder andere de bedrijven TNT, de Nederlandse Spoorwegen. De campagne loopt tot eind 2009.

In een brief aan de Tweede Kamer meldt VROM-minister Cramer de eisen voor emissie van middelgrote stookinstallaties strenger worden. Met de aanscherping kan Nederland vanaf 2010 de internationale afspraken nakomen. Belangrijke elementen in het klimaatbeleid zijn de internationale afspraken voor emissies en vermindering van broeikasgassen. Met het Besluit emissie-eisen voor middelgrote stookinstallaties (Bems) worden NOx-emissies gereduceerd. Er worden ook eisen gesteld aan de emissies van koolwaterstoffen, met name voor reductie van methaan bij gasmotoren en stookinstallaties met biobrandstoffen. Middelgrote stookinstallaties zijn vooral in gebruik bij de dienstensector, glastuinbouw en de industrie. Voor de zomer van 2009 zal het besluit in werking treden en direct gaan gelden voor nieuwe installaties. Voor bestaande installaties geldt een overgangsperiode tot 1 januari 2019.

Tweederde van de Europese landen presteert beter op klimaatgebied dan Nederland. Dat blijkt uit de Climate Change Performance Index (CCPI) die de Duitse milieuorganisatie Germanwatch in december in Poznan presenteert. Net als vorig jaar staat Nederland op de achttiende plaats van de 27 EU-landen. Het beeld wordt nog geflatteerd doordat we in Nederland veel elektriciteit importeren. Zodra we, mogelijk al in 2009, elektriciteit gaan exporteren, zal de CO2-uitstoot hier toenemen.

De leiders van de EU-landen zijn half december na afloop van de EU-top in Brussel het eens geworden over een pakket ingrijpende maatregelen om de uitstoot van broeikasgas CO2 te beperken. De uitvoering van het pakket moet leiden tot een CO2-reductie van 20%. Het is volgens de Franse EU-voorzitter Sarkozy het meest ambitieuze pakket maatregelen om de opwarming van de aarde af te zwakken en minder afhankelijk te worden van olie. Plannen om de meeste industriële bedrijven te laten betalen voor CO2-uitstootrechten zijn grondig afgezwakt. Vooral de Duitse bondskanselier Merkel had moeite met hoge kosten voor de industrie in Duitsland. Wel moeten elektriciteitsbedrijven fors gaan betalen voor hun uitstoot waardoor de stroom de komende jaren hoogstwaarschijnlijk duurder wordt. Polen, Bulgarije en nog enkele landen hebben uitzonderingen afgedwongen voor hun stroombedrijven. Nederland kreeg voor elkaar dat de EU meer geld uittrekt voor proefprojecten voor CO2-opvang. Het Wereld Natuur Fonds, Greenpeace en Oxfam noemen het EU-akkoord over CO2-beperking een mislukking. Het uiteindelijke compromis maakt het de industrie niet zo lastig als eerder gepland. Bedrijven mogen langer meer broeikasgas CO2 uitstoten dan gepland. Voor landen die de doelen niet halen, zijn geen straffen vastgelegd. De milieubeweging hoopt dat het Europees Parlement het besluit de komende dagen nog grondig aanpast.



Terug naar thema Overheid en energiebeleid 2008