Onderzoek |
Berichten uit 2008 |
Uit de in maart gepubliceerde jaarcijfers van KEMA over 2007 blijkt het Arnhemse onderzoeksinstituut en certificeringsbedrijf de komende jaren hard blijft groeien. Voor 2008 gaat KEMA uit van een omzetgroei van 10-15 procent. In 2007 behaalde KEMA een winst van €11,2 miljoen en de omzet steeg met 11,9 procent tot €200 miljoen. De resultaten worden toegeschreven aan de groeiende vraag naar adviezen, onderzoeken op elektrisch gebied en de stijgende vraag naar certificering van producten en diensten. Van de omzet komt 30 procent uit Nederland, een even groot deel uit de VS, €47 miljoen uit de rest van Europa en €21 miljoen uit Azië. De groei is verder te danken aan het toenemend verbruik van elektriciteit in de wereld. Daarnaast is de omslag naar duurzame energie een belangrijke groeimarkt.
Sinds 9 april kunnen het bedrijfsleven en universiteiten die de inpassing van decentrale energieopwekking in het elektriciteitsnet willen testen en onderzoeken, terecht bij het Flex Power Grid Lab (FPG-Lab), een nieuwe testfaciliteit. Het laboratorium is gevestigd bij Kema in Arnhem en is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met het ECN. Het Lab biedt een test- en onderzoeksomgeving voor geavanceerde vermogenselektronica, dat nodig is om in de toekomst grote hoeveelheden decentraal opgewekte elektriciteit door bijvoorbeeld windmolens, (micro-)wkk’s en omvormers van zonnepanelen aan het bestaande elektriciteitsnet te kunnen koppelen. Met het Lab kunnen bedrijfsleven en universiteiten testen en onderzoeken hoe zij vermogenselektronica kunnen verbeteren om verstoringen in het elektriciteitsnet, onder andere door inpassingen van door duurzame energie opgewekte elektriciteit, te voorkomen. Over drie à vier jaar moeten jaarlijks circa 125 proeven worden uitgevoerd.
Wat het Flex Power Grid Lab uniek maakt, is de mogelijkheid om een flexibel middenspanningsnet te creëren, dat bewust vervuild is. Wanneer twee vermogenselektronica-componenten te dicht bij elkaar geplaatst zijn, kan instabiliteit in het elektriciteitsnet ontstaan, met elektriciteitsuitval als mogelijk gevolg. Het nieuwe laboratorium is in staat deze instabiliteit natuurgetrouw weer te geven. In het laboratorium kan apparatuur worden getest bij voortdurende industriële middenspanningen (tien keer hoger dan in andere laboratoria), waarbij de programmeerbare omvormer fungeert als een 1 MW versterker met een vermogen dat tien keer hoger is dan dat op het grootste popconcert. Tot nog toe is er veel aandacht geweest voor de ontwikkeling van de afzonderlijke technologieën voor het opwekken van duurzame elektriciteit. Er is echter nog te weinig studie verricht naar de vraag hoe die elektriciteit moet worden getransporteerd en ingezet in het huidige netwerk. De helft van de tijd is het lab gereserveerd voor tests in opdracht van het bedrijfsleven door KEMA, de andere helft voor onderzoek door ECN, TU Delft en TU Eindhoven.
Uit de half augustus gepubliceerde rapportage van EZ over publiek gefinancierd energieonderzoek in Nederland blijkt dat bedrijven in 2007 de grootste ontvangers waren van het overheidsbudget voor energieonderzoek. Tot en met 2006 ontvingen kennisinstituten altijd het grootste deel van de subsidie, maar nu ontvangen bedrijven iets meer dan 50 procent van het budget. Het aandeel van de universiteiten ligt al een aantal jaren rond de 15 procent. Het totale budget voor energieonderzoek bedroeg in 2007 ruim €200 miljoen waarvan €182 miljoen voor rekening komt van EZ. In 2007 is €144 miljoen (waarvan €129 miljoen via SenterNovem) gekanaliseerd via intermediaire organisaties. De forse impuls via de Unieke Kansen Regeling heeft zich vertaald in een stijging van het demonstratie onderzoek. In 2007 bedroeg dit 50 procent ten opzichte van 28 procent in 2006. Het absolute budget voor Onderzoek en Ontwikkeling is gestegen in 2006, maar door de sterke stijging van het totaal is het aandeel afgenomen (van 68 naar 48 procent). Het aandeel Kennisoverdracht is beperkt, in 2007 was dit 2 procent. Energiebesparing en duurzame energie ontvangen de grootste budgetten, fossiele brandstoffen zijn de sterkste stijger. De grootste thema’s bij publiek gefinancierd energieonderzoek in 2007 en de voorgaande jaren waren duurzame energiebronnen en energiebesparing, beide rond de 30 procent. In 2007 is onderzoek naar fossiele brandstoffen sterk gestegen. Dit betreft vooral onderzoek naar de afvang en opslag van CO2 (Carbon Capture and Storage of CCS). In 2007 is 161 miljoen euro besteed aan onderwerpen binnen het Energie Onderzoek Subsidie (EOS) programma: gebouwde omgeving en schoon fossiel waren in 2007 de grootste, op de voet gevolgd door biomassa.
Het Samenwerkingsverband Noord-Nederland adviseert in september positief over een omvangrijke bijdrage aan het Gas research And Sustainability program (GrASp). Het gaat om tien miljoen euro uit het Europese fonds EFRO. Daarnaast staat de provincie Groningen garant voor twee miljoen euro en wordt het Rijk gevraagd nog eens tien miljoen euro bij te dragen. GrASp is een nationaal consortium onder de aanvoering van het Energy Delta Research Centre van de Rijksuniversiteit Groningen. Het bundelt de in Nederland aanwezige kennis en kunde op gasgebied om samen te werken aan een duurzame energietoekomst. GrASp heeft de ambitie een internationaal 'centre of excellence' te worden op gebied van gas en duurzaamheid. In GrASp werken samen NV Nederlandse Gasunie, Kiwa Gastec, Netwerkbedrijven Essent, Nuon en Eneco, Rijksuniversiteit Groningen, Hanzehogeschool Groningen, Technische Universiteit Delft en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN). Deze partners hebben een innovatief programma opgesteld waarin ze zelf 22 miljoen euro investeren. Met in totaal 22 miljoen euro subsidie erbij ontstaat het grootste programma van op duurzaamheid gericht gasonderzoek binnen Europa. De aandacht voor duurzame energie (zoals zon, wind, waterstof, biomassa) is tot dusver nauwelijks gecombineerd met de gaskennis die in Nederland beschikbaar is. GrASp koppelt deze twee werelden van gas en duurzame energie om zo te werken aan nieuwe, op gas gebaseerde plannen richting een duurzame energietoekomst.
SenterNovem meldt eind september dat Nederland het goed heeft gedaan in het eerste jaar (2007) van het Europese Zevende Kaderprogramma (KP7). Er doen 1061 Nederlandse bedrijven mee aan projecten die voor financiering in aanmerking komen. KP7 is een ambitieus Europees programma dat onderzoek en ontwikkeling financiert op tal van thema's om internationale samenwerking en innovatie te bevorderen en de Europese concurrentiepositie te versterken. KP7 loopt tot en met 2013 en heeft een budget van €50 miljard. De EC publiceert regelmatig oproepen waarin wordt aangegeven voor welke onderwerpen projectvoorstellen kunnen worden ingediend door universiteiten, kennisinstellingen en bedrijven die samen met buitenlandse partners in een consortium onderzoek willen doen naar een nieuwe technologie. Met een deelname van 1061 organisaties staat Nederland in absolute aantallen op de zesde plaats in Europa, na Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Spanje.
De onderzoeksinstituten Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) , Institute for Energy (onderdeel van Joint Research Centre of the European Commission en Nuclear Research and consultancy Group) hebben in een Memorandum of Understanding (MoU) besloten hun strategische samenwerking in Petten te intensiveren. Samen willen de drie onderzoekspartners Petten laten uitgroeien tot hoofdstad van het energieonderzoek in Europa. Eind september wordt de overeenkomst ondertekend die erop is gericht het onderzoek naar energietechnologieën nog beter af te stemmen en te versterken. De drie onderzoeksinstituten richten zich in hun beleidsondersteunend onderzoek op de drie prioriteiten van het Europese energiebeleid: 20 procent energiebesparing, een aandeel van 20 procent voor duurzame energiebronnen in de energievoorziening en 20 procent vermindering van CO2 uitstoot in 2020. Deze doelstellingen zouden moeten bijdragen aan een betere voorzieningszekerheid, bescherming van milieu en klimaat en versterking van de Europese concurrentiepositie. De onderzoekspartners hebben de ambitie Petten uit te laten groeien tot Europese onderzoekshoofdstad van de huidige en toekomstige energietechnologie, mede in het kader van het Europese Strategische Energie Technologie Plan (SET-Plan). De intensievere samenwerking concentreert zich in eerste instantie op de onderzoeksgebieden: beleidsstudies, biomassa en biobrandstoffen, CO2-afvang -en opslag, nucleaire technologie, waterstof- en brandstofcellen en zonne-energie. Op veel van deze gebieden nemen ECN/NRG het voortouw in de ontwikkeling van grensverleggende energietechnologie. Het IE richt zich in die gevallen meer op het ontwikkelen van Europese en internationale testmethodes, veiligheid, technologische beoordelingen en prognoses ter ondersteuning van het energiebeleid.
Ideas factory, een brainstormsessie van elf Europese organisaties die energieonderzoeksprogramma’s uitvoeren, heeft direct succes opgeleverd. Het Nederlandse bedrijf Entry Technology Support doet nu samen met universiteiten uit Noorwegen, Slowakije en Spanje onderzoek naar de levering van elektriciteit, warmte en koude aan een woning door zonne-energie. Het onderzoeksproject is het gevolg van het door ERA-NET Inner (Innovatie Energy Research) georganiseerde Ideas Factory. Tijdens een bijeenkomst in de Portugese plaats Marvão bogen tal van deskundigen zich over de vraag hoe woningen energieneutraal kunnen worden gebouwd. Daar werd de kiem gelegd voor het project waaraan Entry Technology meedoet. Eind september werd een vervolgbijeenkomst van Ideas Factory georganiseerd in Maastricht. Doelstelling van de bijeenkomsten is om tot betere programma’s op het gebied van nieuw energieonderzoek te komen. Het Nederlandse aandeel van het gestarte onderzoeksproject heeft subsidie gekregen uit de regeling Nieuw Energie Onderzoek van het programma Energie Onderzoek Subsidie (EOS). Een tweede project dat in Portugal het levenslicht zag, is in de beoordelingsfase. Ideas factory krijgt nog dit jaar een vervolg, zij het in een iets andere opzet. Van 8 tot en met 12 november vindt in Frankrijk IdeasLab plaats met het thema ‘Grensvlakken voor energie efficiëntie’. Deze bijeenkomst richt zich meer op de betekenis van de wetenschap voor energieonderzoek en minder op een specifieke toepassing.
Eind oktober ondertekent ECN met negen andere vooraanstaande onderzoeksinstituten in Europa een intentieverklaring voor de European Energy Research Alliance (EERA). De partners van de EERA zijn naast ECN, CEA (Frankrijk), CIEMAT (Spanje), CRES (Griekenland), ENEA (Italië), JÜLICH (Duitsland), INETI (Portugal), RISØ DTU (Denemarken), UKERC (Verenigd Koninkrijk) en VTT (Finland). Samen beschikken deze energieonderzoeksinstituten over een jaarlijks R&D budget voor energieonderzoek van €1,3 miljard. Inzet is het harmoniseren van onderzoeksprogramma’s door middel van gezamenlijk onderzoek en het optimaal benutten van faciliteiten. Voor het behalen van Europese doelstellingen op het gebied van klimaatverandering en voorzieningszekerheid is het noodzakelijk om een nieuwe generatie energietechnologieën te ontwikkelen. De laatste twintig jaar zijn de R&D-budgetten in Europa echter afgenomen, terwijl de budgetten in de VS vrijwel op het zelfde niveau zijn gebleven en de budgetten in Japan met ruim 15 procent zijn toegenomen. Door het op elkaar afstemmen van nationale en Europese onderzoeksprogramma’s wil de alliantie nu eerst de efficiency van hun R&D programma’s vergroten. In tweede instantie zal ook de omvang van de programma’s fors moeten toenemen om aan de lange-termijndoelstellingen en -ambities te kunnen voldoen. De EERA richt zich op de fase tussen fundamenteel onderzoek en industriegedreven onderzoek. De EERA-partners hebben een aantal voorlopige aandachtgebieden geselecteerd, waaronder wind- en zonne-energie (PV-technologie en concentrated solar power of CSP), biobrandstoffen (2de generatie en verder), CO2-afvang en -opslag (CCS), intelligente netten en brandstofcellen. Nog dit jaar vindt een tweetal pilot workshops plaats waarbij met andere belangrijke spelers binnen Europa de mogelijkheden voor verregaande samenwerking zullen worden onderzocht. Dit moet uitmonden in het opzetten van een aantal gemeenschappelijke programma’s in 2009. Het initiatief wordt ondersteund door EUA en UEROHORCS en gefaciliteerd door de Europese Commissie. De doelstellingen van de alliantie sluiten aan bij die van het European Strategic Energy Technology Plan (SET Plan) van de EC.