Veiligheid: gas- en elektraleidingen en -installaties

Berichten uit
2008

Ongeveer één op de drie woningen in Nederland heeft een dusdanig defect aan de gas- of elektrische installatie dat een ongeluk met dodelijke afloop kan optreden, via koolmonoxidevergiftiging of kortsluiting met als gevolg brand of elektrocutie. Dat blijkt uit de resultaten van een onderzoek naar de gezondheidskundige kwaliteit van woningen dat door minister Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie) en mede op verzoek van VROM-minister Cramer is uitgevoerd. Begin januari is de Tweede Kamer hierover middels een brief van de ministers geïnformeerd. In 36% van de meer dan 1200 onderzochte woningen zijn situaties aangetroffen die in potentie een dodelijk ongeval kunnen veroorzaken. 24% van de gevallen betreft een onveilige situatie in de meterkast. Bij 12% van de woningen is de afvoer van de verbrandingslucht niet in orde. Minister Vogelaar wil nu dat vooral de open verbrandingstoestellen in nieuwe situaties niet meer worden toegepast. Ook wil ze oude cv-ketels zo snel mogelijk vervangen en voorlichting over goed onderhoud verbeteren.

De organisatie voor de installatiebranche en de technische detailhandel Uneto-VNI meldt in oktober dat de kwaliteit van gas- en elektra-stallaties in woningen te wensen overlaat. Ook schort het aan de controle hierop. Door het ontbreken van een externe controle of inspectie komen eventuele gevaren of risico's voor de gebruiker (zoals gasexplosie, koolmonoxidevergiftiging en brand door kortsluiting) niet tijdig aan het licht. In het onderzoek Uneto-VNI dat laat uitvoeren wordt gekeken naar de feitelijke kwaliteit van installaties en de risico's in de bestaande woningen en bij nieuw opgeleverde woningen. Ook gaat de branche-organisatie minister Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie) middels een brief op de hoogte stellen van de genoemde activiteiten. Daarin wordt met klem een beroep gedaan op de verantwoordelijkheid van de overheid. Tot het begin van de jaren negentig controleerden de nutsbedrijven de gas- en elektra-installaties in woningen voordat de levering van gas- en elektriciteit kon beginnen. Bij nieuwbouw gebeurde dit praktisch altijd en bij verhuizingen deed ongeveer 57 procent van de nutsbedrijven dit. Op deze manier leidde dit tot een controlefrequentie van eens in de zeven jaar. Soms werden ook installaties gecontroleerd per wijk als daartoe aanleiding bestond. Er bestond een adequaat werkend systeem waarin netwerkbeheerders en erkende installateurs een belangrijke rol vervulden. De vakbekwaamheid van de installateurs werd bevorderd door de eisen in de Vestigingswet. Sinds de begin jaren negentig in gang gezette liberalisering van de energiesector hebben de netbeheerders hun inspectieapparaat fors afgebouwd. De controletaak is niet overgenomen door gemeenten die hier formeel verantwoordelijk voor zijn. Bovendien stellen de netbeheerders hun huidige betrokkenheid bij het beheer van het systeem van erkende installateurs en gecertificeerde installateurs ter discussie, en sinds 1996 zijn de eisen voor vakbekwaamheid voor gastechnische installateurs uit de Vestigingswet verdwenen.



Terug naar thema Overheid en energiebeleid 2008