Reserves |
Berichten uit 2008 |
De Nederlandse aardgasreserves bedroegen eind 2006 ruim 1400 miljard m3. Met het huidige winningtempo van ongeveer 70 miljard m3 per jaar zijn de reserves in twintig jaar uitgeput. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) half februari. Ongeveer de helft van het gewonnen aardgas wordt in Nederland gebruikt, de andere helft wordt geëxporteerd. De aardgasproductie droeg vorig jaar 3 procent, i.e. ruim €17 miljard, bij aan het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp). Dit aandeel is de laatste jaren toegenomen. Niet de groei van de productie, maar de sterke stijging van de aardgasprijzen is hiervoor verantwoordelijk. De sterk fluctuerende vraag naar Nederlands aardgas drukt hierdoor in toenemende mate een stempel op de economische groei van Nederland.
Het jaarlijkse energie rapport 2007 van de Britse oliemaatschappij BP dat in juli wordt gepubliceerd meldt dat de bewezen wereldreserves voor steenkool en aardolie zijn gedaald. Voor aardgas zijn ze stabiel. Er is nu nog voor 40 jaar aardolie, voor 60 jaar aardgas en voor 133 jaar steenkool. Zowel voor steenkool als voor aardolie lagen de voorraden eind 2007 onder het niveau van 2006. Voor aardolie daalde ook de productie lichtjes met 0,2 procent, terwijl de consumptie toenam met 1,1 procent. Dit betekent dat wereldwijd vooral op de strategische olievoorraden werd ingeteerd. Vooral de reserves voor steenkool nemen fors af bij het huidige productietempo. In 2003 meldde BP op basis van zijn statistisch rapport dat de mensheid op basis van de productie en de voorraden in 2002 nog voor 204 jaar over steenkool kan beschikken. In juni 2007 was dat nog slechts 147 jaar. Op basis van de voorraden en de productie eind 2007 is dit getal opnieuw lager: 133 jaar.
Ui een in juli gepubliceerd rapport van het Clingendael International Energy Programme (‘Oil turbulence in the next decade’) blijkt dat het tekort aan olie niet rond 2015, maar al in 2010 merkbaar zal zijn. De bodemprijs van een vat olie gaat naar 110 dollar. Door de tekorten zouden er ook militaire conflicten kunnen ontstaan in olielanden in Afrika. Het tekort zal in 2030 ongeveer 11 tot 18 miljoen vaten per dag bedragen, i.e. tweederde van het dagelijkse verbruik in de Verenigde Staten. Als bestaande velden sneller opraken, wordt de krapte nog nijpender. Door de olietekorten zullen de prijzen van olie op een hoog niveau blijven. Een prijs van 110 dollar per vat beschouwt Clingendael als ondergrens. De olieprijs kan echter ook snel doorschieten naar 200 dollar per vat. Door de krapte kunnen er politieke spanningen ontstaan tussen de grootverbruikers China en de Verenigde Staten. Vooral in Afrika kunnen er militaire conflicten ontstaan.
Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs, dat half november de World Energy Outlook 2008 presenteerde, zal de Opec in 2030 51% van de oliebehoefte in de wereld dekken. De lage olieprijzen zetten de noodzakelijke investeringen in de oliewinning nog meer onder druk. Het IEA voorspelt dat er al snel een olietekort zal ontstaan, omdat enerzijds de energiebehoefte fors blijft stijgen (tot 2030 met 45%) en tegelijkertijd de productie uit bestaande olievelden met 2/3 terugloopt omdat de velden eerder uitgeput raken dan verwacht. Het IEA beoordeelde de 800 grootste olievelden in de wereld (samen goed voor 75% van alle oliereserves en 2/3 van de mondiale olieproductie). 580 velden blijken al over hun productiepiek heen te zijn en sneller dan gedacht uitgeput te raken. Volgens het IEA moeten tot 2015 dagelijks 30 miljoen vaten meer worden geproduceerd, maar dat zal door de achterblijvende investeringen niet worden gehaald. Tot 2030 zou 360 miljard dollar (282 miljard euro) geïnvesteerd moeten worden in de oliewinning.
Ook verwacht het IEA dat de olieprijs over zes jaar weer boven de 100 dollar per vat zal uitkomen en ontstaan grote olietekorten. Vooral door de groeiende economieën van China en India stijgt de vraag naar energie wereldwijd met 1,6 procent per jaar, terwijl de productie van olie nauwelijks toeneemt.
De stichting Peakoil, die door wetenschappers is op gericht om de oliereserves te inventariseren, denkt dat het olietekort nog groter is dan het IEA heeft voorspeld. Peakoil komt tegelijk met de publicatie van de World Energy Outlook van het IEA met een rapport waarin de wetenschappers van de stichting uitgaan van een nog groter tekort. Volgens de voorspellingen van Peakoil zal in 2030 het tekort tien miljoen vaten groter zijn dan het IEA voorspelt. Die gaat uit van een productie van 106 miljoen vaten per dag, terwijl Peakoil uitgaat van een productie van maximaal 90 tot 95 miljoen vaten per dag.
De World Wind Energy Association (WWEA) heeft forse kritiek op de World Energy Outlook 2008 van het IEA, omdat het volgens hen het potentieel van windenergie zeer sterk onderschat. De onderschatting zal bijdragen aan slechte beslissingen van politici en zal de ontwikkeling van duurzame bronnen vertragen. Volgens het IEA zal in het referentiescenario duurzame energie in 2030 slechts 4% van de stroomvoorziening dekken, op grond van een aangenomen gemiddelde groei van 7%. De WWEA wijst er op dat alleen windenergie momenteel al 1,5% van de stroom levert en dat het gemiddelde groeipercentage van de afgelopen 10 jaar 30% bedroeg, in China was dat 100% in de laatste twee jaar.
De Energy Watch Group acht, indien de juiste acties worden ondernomen, in haar vorige week gepubliceerde Renewable Energy Outlook een percentage van meer dan 60% duurzame stroom in 2030 mogelijk.
De vraag naar kolen groeit sinds 2000 pijlsnel en die groei zal zeker tot 2025 aanhouden. Met China als grote importeur van steenkool stijgen de prijzen van het ‘zwarte goud’ flink. Volgens het Amerikaanse ministerie van energie worden de komende vijf jaar wereldwijd meer dan duizend kolengestookte centrales gebouwd. Kolen zijn, ondanks de overspannen markt, nog altijd twee- tot viermaal goedkoper dan olie en gas. Maar of kolen op de lange duur een succes worden, hangt volgens het Europese ‘Institute for Energy’ vooral af van de toepassing van schone-kolentechnologie. Een kolencentrale stoot tussen 750 en 1300 g/kWh uit. Bij een gascentrale is dat 450 g/kWh. Volgens een Clingendael-expert zijn er nog veel vraagtekens, bijvoorbeeld t.a.v. regelgeving voor het transport en de opslag van CO2 en de verwachte terugverdientijd voor bedrijven die in schonekolentechnologie willen investeren.
De chemische industrie DSM meldt in februari dat het plannen heeft om weer steenkool te gaan winnen uit de Nederlandse staatsmijnen in Limburg, die in 1974 werden gesloten. DSM heeft zijn concessies voor kolenwinning echter nooit van de hand gedaan. Door de sterk stijgende prijzen voor steenkool (100% in het afgelopen jaar) is de vraag voor DSM actueel of het rendabel is Nederlandse kolen uit de grond te halen. De investeringsmaatschappij Itirc heeft inmiddels een belang genomen in een joint venture om een van de grootste kolenmijnen ter wereld te ontginnen in het Russische Irkoetsk. De voorraad wordt geschat op een tot drie miljard ton kolen. Niet alleen de enorme voorraad steenkool is volgens Itirc de investering waard, ook de nieuwe technologie die wordt toegepast biedt perspectief. Er wordt gebruik gemaakt van de zogeheten kolen-naar-vloeistof-technologie (coal-to-liquids) waarbij kolen direct worden omgezet in diesel en benzine. Naast Rusland gebruiken ook Brazilië, India en China enorme hoeveelheden kolen voor de grote vraag naar energie. China bouwt iedere week een nieuwe kolencentrale. Milieuorganisatie Greenpeace is tegen kolenstook. En stellen dat de plannen van energiebedrijven in Nederland om vijf nieuwe kolencentrales te willen bouwen strijdig zijn met verduurzaming van de stroomvoorziening. Investeringen in kolencentrales gaan volgens Greenpeace ten koste van het ontwikkelen en toepassen van innovatieve technieken voor het grootschalig opwekken van schone energie, zoals windparken op zee. In maart publiceert Greenpeace het rapport 'De wereld achter kolenstroom', waarin staat dat de in Nederland gebruikte kolen uit Zuid-Afrika, Colombia en Indonesië komen. Het rapport verkent de milieueffecten en sociale gevolgen van kolenwinning in die landen.
Opwekking van elektriciteit met gas en wind is economisch aantrekkelijker dan met kolen, bij volledige doorbelasting van CO2-rechten. Zo blijkt uit een in maart gepubliceerd onderzoek van PricewaterhouseCoopers (PwC), uitgevoerd in opdracht van Greenpeace. PwC vergeleek de productiekosten van elektriciteit met gas, wind en kolen op rendement. Hieruit bleek dat investeren in kolen verliesgevend is bij een volledige doorbelasting van CO2-kosten. Zelfs bij een reële CO2-kostprijs van 20 euro per ton is kolenstroom duurder dan stroom uit een gascentrale. Als CO2-prijs stijgt door klimaatbeleid dan worden kolen nog minder rendabel. Als de CO2 kosten buiten beschouwing worden gelaten dan is productie van elektriciteit met kolen goedkoper.