Beleid |
Berichten uit 2008 |
Onder leiding van premier Balkenende gaat het Innovatieplatform het idee uitwerken voor een Tulpeiland voor de kust. Door het creëren van verschil in waterstand kan dan met waterkracht elektriciteit worden opgewekt. Grondprijzen zijn gestegen en het winnen van land op water daalt verder in prijs. Begin februari is hierover een conferentie gehouden in Scheveningen. De premier benadrukte de goede naam van Nederland op het gebied van inpoldering en deltawerken. Bij de conferentie in Scheveningen kwamen vier ideeën voor verdere uitwerking aan de orde.
In maart blijkt uit onderzoek van Bouwkennis en USP Marketing Consultancy dat de Nederlander positief staat tegenover plannen voor landwinning in de Noordzee en het idee van het Tulpeiland voor winning van energie. Maar slechts een derde van de Nederlanders zou er willen wonen. 62% van de Nederlanders ziet energiewinning wel zitten en bijna 50% denkt dat dit een goede kustbescherming biedt. 37% denkt dat het project ons land aanzien geeft in het buitenland.
Het Innovatieplatform meldt in september het eens te zijn met de conclusie in het rapport van de Deltacommissie dat eilanden voor de kust hooguit beperkt bijdragen aan de veiligheid. Het platform waardeert wel dat de commissie de mogelijkheid van eilanden voor andere functies nadrukkelijk openhoudt.
Voor KEMA en Lievense is de oproep van premier Balkenende voor een multifunctioneel Energie-eiland een extra stimulans om met bedrijven in de energiesector vervolgactiviteiten te bespreken. In juli van 2007 had de Tweede Kamer al een motie aangenomen voor ondersteuning van het Energie-eiland. Naast de techniek en economie van een multifunctioneel Energie-eiland, wordt aandacht besteed aan milieuaspecten. Ook energieopwekking via windturbines, getijden-energie en biomassa komen aan de orde.
De unit Beleidsstudies van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) meldt in februari dat ze is toegetreden tot het EurObserv’ER consortium. Het samenwerkingsverband is verantwoordelijk is voor de tweemaandelijks verschijnende duurzame energie ‘Barometer’. Deze gecombineerde Engelse- en Franstalige publicatie helpt beleidsmakers om de voortgang op het gebied van duurzame energie in Europa te volgen. Kenmerkend voor de Barometer is dat de gepubliceerde cijfers zeer actueel zijn, in de meeste gevallen zelfs actueler dan de cijfers van de nationale statistische bureaus. Naast de gegevens over de realisaties van diverse duurzame energiebronnen in de 27 lidstaten van de Europese Unie, geeft de Barometer ook inzicht in het beleid van EU-landen en is er aandacht voor de industrie. EurObserv’ER bestaat uit vijf Europese organisaties: Observatory of renewable energies in Frankrijk; Energy Efficiency Center van het Institute Jozef Stefan (IJS) in Slovenië; Institute for Renewable Energy (EC BREC IEO) in Polen; Eclareon, energy consultancy in Duitsland in Spanje.
De ‘Commissie onderzoek duurzame energie’ brengt in februari aan het kabinet het advies uit om in de komende vijf jaar €250 miljoen te investeren in onderzoek naar alternatieve energie. Het onderzoek moet Nederland helpen onafhankelijk te worden van fossiele brandstoffen zoals olie en steenkool. De commissie wil onder meer €50 miljoen besteden aan studies naar zonne-energie, €50 miljoen voor energiebesparing, €58 miljoen voor het ontwikkelen van nieuwe materialen en €20 miljoen voor innovatieve technologie en oplossingen. De commissie meent dat Nederland keuzes moet maken uit de verschillende vormen van duurzame energie. De commissie bepleit ook meer aandacht te schenken aan coördinatie tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties, de politiek en kennisinstellingen.
In april meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat Nederlanders in 2007 in vergelijking met 2006 niet méér duurzame energie zijn gaan gebruiken: bijna 3 procent van alle verbruikte energie was duurzaam. Tussen 2003 en 2006 was er nog een stijging te zien. De overheid streeft naar 5 procent verbruik van duurzame energie in 2010, oplopend naar 20 procent in 2020. Ongeveer 0,9 procent van de energievoorziening was in 2007 afkomstig van Nederlandse windturbines. De belangrijkste duurzame energiebron is nog steeds biomassa met een bijdrage aan de energievoorziening van 1,8 procent. De afname van het meestoken werd voor een groot deel gecompenseerd door een toename van het gebruik van biomassa in het wegverkeer in de vorm van biobrandstoffen. In de praktijk gebeurt dat via bijmenging in gewone benzine en diesel.
Uit het 13 juni gepubliceerde proefschrift van innovatiewetenschapper Ineke Meijer (‘Uncertainty and entrepreneurial action. The role of uncertainty in the development of emerging energy technologies’) blijkt dat duurzame energieprojecten in Nederland moeizaam van de grond komen. Dit is vooral te wijten aan grote politieke onzekerheid waarmee ondernemers worden geconfronteerd. Hierdoor zijn zij minder bereid te investeren in duurzame energietechnologieën. Om de ontwikkeling van duurzame energie te stimuleren moet de overheid veelbelovende technologieën gedurende langere tijd ondersteunen. Als voorbeeld noemt Meijer de Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP)-regeling waarmee de productie van schone en duurzame energie, zoals windenergie en biomassa, kan worden gestimuleerd. De overheid voerde de MEP-regeling later in dan aangekondigd, wijzigde het door de jaren heen verschillende keren en zette de regeling uiteindelijk abrupt stop vanwege het grote succes.
Begin september meldt minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking in een brief aan de Tweede Kamer dat het kabinet €500 miljoen beschikbaar wil stellen voor het opzetten van duurzame energieprojecten in ontwikkelingslanden. Het merendeel (470 miljoen) gaat naar directe investeringen in duurzame energieprojecten, maar er gaat ook 30 miljoen naar het verduurzamen van de productie van biomassa voor energiegebruik. Het meeste geld voor de investeringen (140 miljoen) gaat naar de Grote Meren regio in Centraal Afrika. Daar wordt onder andere het elektriciteitsnetwerk verbeterd om waterkracht en methaangas uit het Kivu-meer te distribueren. Partners hierbij zijn de Wereldbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, de Europese en Nederlandse ontwikkelingsbanken, de Europese Commissie, België en het Duitse GTZ. De Wereldbank en BMZ/GTZ (BMZ staat voor Bundesentwicklungs-ministerium) werken in Indonesië ook met Nederland samen op het gebied van aardwarmte, kleinschalige waterkracht en biogas. Daarnaast gaat Nederland een partnerschap aan met Duitsland voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie ten minste 20 Afrikaanse landen en Indonesië. Verder wil de minister meedoen aan partnerschappen voor het gebruik van energiezuinige lampen op basis van zonne-energie voor het platteland in Afrika (Philips), energie voor kleine bedrijven op basis van hernieuwbare energie (Nuon) en het opzetten van kredietfaciliteiten voor hernieuwbare energie in met name Afrika en Indonesië (Triodos Bank). Analoog aan de succesvolle programma’s op het gebied van biogas in Zuidoost Azië, wil Nederland initiatieven voor het ontwikkelen van biogas in Afrika ondersteunen. Een opmerkelijk fonds is het Daey Ouwens Fonds ter waarde van 20 miljoen euro voor 3 jaar voor het bevorderen van kleinschalige projecten voor hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden.
Als het kabinet haar doelstelling op gebied van duurzame energie wil waarmaken, dan is het aan te raden nu de weg vrij te maken voor een flexibel elektriciteitssysteem op basis van gasgestookte elektriciteitscentrales. Dat staat in een begin oktober gepubliceerd rapport van CE in Delft (‘Transitiestrategie Elektriciteit en Warmte’) opgesteld voor het Regieorgaan EnergieTransitie. Het regieorgaan ondersteunt het kabinet bij haar streven naar een duurzame energiehuishouding. De Nederlandse gasinfrastructuur biedt daarvoor volgens het Regieorgaan unieke kansen. In de huidige plannen van energiemaatschappijen wordt nu voorzien in de bouw van maar liefst vijf poederkoolcentrales. Door de bouw van die centrales, die ruim 40 jaar meegaan, gaat in de toekomst veel duurzame energie verloren doordat ze niet snel teruggeregeld kunnen worden als er veel duurzame energie opgewekt wordt zoals windenergie. In de praktijk betekent dit dat duurzame windenergie uit de markt wordt gedrukt. De Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) stelt vast dat dit fenomeen nu al optreedt in de daluren waar gas-gestookte warmtekrachtinstallaties (WKK) worden weggedrukt door kolengestookte installaties. VEMW stelt zich op het standpunt dat WKK bevorderd moet worden door de overheid om het gas dat gebruikt wordt zo efficiënt mogelijk in te zetten.
In zijn oratie op 21 oktober gaat Marko Hekkert, hoogleraar Dynamics of innovation systems aan de Universiteit Utrecht, in op de redenen waarom we na vele jaren actief beleid om duurzame innovaties te stimuleren zo weinig succesverhalen kennen. Hekkert doet zeven aanbevelingen om de duurzame innovaties in Nederland van de grond te krijgen. Een van de zeven aanbevelingen is om te zorgen voor een consistent beleid voor duurzame innovaties. Het duurzaam innovatiebeleid in Nederland fluctueert te veel. In het ideale geval wordt nieuwe technologie gedurende een lange periode geflankeerd met consistent en opbouwend beleid. Verder moeten volgens de hoogleraar ondernemers in duurzame technologie in Nederland veel meer gezamenlijk lobbyen om meer politieke aandacht, middelen en ondersteunende regulering af te dwingen ten koste van bestaande niet-duurzame technologie. Een andere aanbeveling is om innovatie meer tijd te geven, falende projecten te accepteren en hiervan te leren. De tijdsperiode die nodig is voor innovatie wordt in Nederland schromelijk onderschat. Vaak duurt het meerdere decennia voordat het innovatiesysteem en de technologie zo goed zijn ontwikkeld dat grootschalige diffusie plaatsvindt.
Uit de resultaten van een tussenrapportage over het werkprogramma Schoon en Zuinig blijkt dat Nederland niet in de buurt komt van het Europese doel om in 2020 14% energie te produceren uit duurzame bronnen om maar niet te spreken van het door de Nederlandse overheid gestelde doel van 20%. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) komt Nederland met het huidige en voorgenomen beleid niet verder dan maximaal 9 procent, maar waarschijnlijk niet verder dan 7 procent. De tussenrapportage moet laten zien wat de verwachtingen zijn op het gebied van de kabinetsdoelen voor 2020: 2% energiebesparing per jaar, 20% duurzame energie en 30% CO2-reductie. Voor wat betreft energiebesparing en de sectoren gebouwde omgeving en glastuinbouw konden PBL en ECN niet genoeg gegevens verzamelen om een verantwoord beeld te geven. Maar de verwachtingen voor duurzame energie en mobiliteit zijn slecht. Het doel dat VROM-minister Cramer voor wind op land in gedachten had, 4000 MW in 2011, wordt pas in 2020 gehaald. In 2015 is pas 2200 MW te verwachten. Wind op zee groeit met het huidige beleid tot 2800 MW in 2020, nog niet de helft van de beoogde 6000 MW. Daardoor groeit het aandeel duurzame elektriciteit tot 18 procent, wat goed is voor circa 5 procent duurzame energie. Ook het aandeel biobrandstoffen zal in 2020 tussen de 5 en 10 procent liggen in plaats van de beoogde 20 procent. De minister beoordeelt de tussenrapportage als onvolledig en niet meer dan een ‘eerste proeve’. April 2009 moet een volledig overzicht komen van harde maatregelen per sector.
Vlak voordat de Tweede Kamer op 17 november over het Energierapport 2008 zal gaan vergaderen, vragen milieuorganisaties, vakbonden en energiebedrijven het kabinet om het huidige stimuleringsbeleid voor duurzame energie te verbeteren. Dat houdt in dat het kabinet nu al moet aangeven dat ze tot 2020 jaarlijks 2 miljard euro steekt in de stimulering van duurzame elektriciteit. Tevens moet de subsidiëring van duurzame stroom via de stroomprijs lopen in plaats van de rijksbegroting. Het voorstel vormt de brug tussen Green4sure - het energieplan van de milieuorganisaties en vakbonden - en de Energieagenda 2020 van de energiesector. In andere Europese landen zoals Denemarken, Duitsland en Spanje bestaat een beter stimuleringsbeleid en investeringsklimaat voor hernieuwbare energie. Nederland is hekkensluiter in Europa met een aandeel van 2,8% duurzame energie. Denemarken heeft een aandeel van 14%. De huidige Stimuleringsregeling Duurzame Elektriciteitproductie (SDE) vormt een goed instrument om het kostprijsverschil (de zogenoemde onrendabele top) de komende jaren te overbruggen. De SDE dient echter op enkele punten verbeterd te worden, aldus de marktpartijen. Voor de langere termijn wordt gepleit voor invoering van een EU-verplichting in een koplopergroep mogelijk met Verenigd Koninkrijk, Zweden en België. Dit betreft een jaarlijks oplopend verplicht aandeel hernieuwbaar van de consumptie van elektriciteit. Aan de introductie van een verplichtingensysteem verbinden de deelnemende partijen harde voorwaarden, onder andere een goed werkend systeem van groencertificaten tussen de deelnemende landen. Daarvoor zal de komende jaren voldoende draagvlak in de EU verworven dienen te worden omdat dit vooralsnog ontbreekt.
Begin december bereiken de EU-landen een akkoord over het leveren van inspanningen voor de realisatie van gestelde duurzame energiedoelen. Het akkoord wijkt echter niet af van de eerdere plannen. In 2020 moet 20% van de Europese energie worden opgewekt met natuurlijke hulpbronnen: dat is ruim het dubbele van de huidige 8,5%. Voor Nederland betekent de afspraak dat het gebruik van duurzame energie omhoog moet van de 2,5% die in 2005 was gerealiseerd, tot 14,5% in 2020. Er is ook afgesproken dat 10% van alle benzine, diesel en andere transportbrandstoffen in 2020 moet bestaan uit biobrandstoffen. Over het pakket m.b.t. maatregelen om de uitstoot van CO2 terug te dringen is (nog) geen overeenstemming bereikt.