Beleid

Berichten uit
2008

Ruim een kwart van de Nederlanders heeft zich voorgenomen om in 2008 meer aan energiebesparing te doen. 52 procent van de Nederlanders weet echter niet goed welke maatregelen ze kunnen treffen. Dit blijkt begin januari uit onderzoek van de HIER Klimaatcampagne onder ruim duizend Nederlanders boven de 18 jaar. Het voornemen om in 2008 meer aan energiebesparing te gaan doen, staat op de derde plaats, na 'meer sporten' en 'afvallen'. De meerderheid van de Nederlanders geeft de voorkeur aan maatregelen die op dagelijkse basis eenvoudig zijn te nemen en relatief weinig geld of moeite kosten. De top vijf van goede voornemens op gebied van energiebesparing: 1. Apparaten minder vaak op stand-by laten staan; 2. Gloeilampen vervangen door spaarlampen; 3. Thermostaat van de verwarming blijvend lager zetten; 4. Minder lang douchen; 5. Wassen op een lagere temperatuur.

In oktober worden de resultaten gepresenteerd van een soortgelijke enquête onder 832 Nederlanders. Bijna driekwart van de Nederlanders wil graag meer doen aan energiebesparing. Het leeuwendeel van de huishoudens blijkt nu al een paar (72 procent) of veel (21 procent) maatregelen te nemen die het klimaat en de huishoudportemonnee sparen. Nog maar zes procent bespaart nog niets, maar zelfs de helft van deze mensen, zou dat best graag willen. De meeste huishoudens in Nederland doen dat met een paar eenvoudige maatregelen, zoals hiervoor al genoemd. Verdere energiemaatregelen blijven nog uit, omdat mensen onvoldoende informatie krijgen over alle mogelijkheden of omdat zij denken dat besparingsmaatregelen te duur zijn. In het onderzoek van TNS NIPO in opdracht van de HIER Klimaatcampagne valt ook het verschil tussen leeftijdsgroepen op. De 55-plussers, die de oliecrisis halverwege de jaren zeventig nog bewust hebben meegemaakt, gaan veel verder met hun klimaatmaatregelen. Deze groep geeft bijvoorbeeld geld uit aan woningisolatie. Tegelijkertijd blijkt dat opvallend veel jongeren (18-34 jaar) eigenlijk meer aan energiebesparing willen doen dan spaarlampen indraaien: 82 procent.

De Europese Commissie (EC) toont zich in januari niet blij met de tot dan toe ingediende nationale besparingsplannen. De 27 EU lidstaten hadden die vóór 30 juni 2007 moeten indienen. Slechts drie landen haalden die deadline. Van de 27 lidstaten hebben Zweden, Luxemburg, Portugal en Slowakije helemaal nog geen plan ingeleverd. Het Nederlandse plan is een bewerking van het programma Schoon en Zuinig. De EC constateert dat er een gat zit tussen de politieke overtuiging en betrokkenheid bij energiebesparing, en de voorstellen om de uitdaging daadwerkelijk aan te gaan.

Het Energieconvenant Groningen 2008-2011 gaat vrijdag 14 maart van start. Het convenant is een voortzetting van de overeenkomst van 2003-2007 en behelst samenwerking tussen Essent, Gasunie, Gasterra, de gemeente Groningen, Nuon, Rabobank, Waterbedrijf Groningen en de provincie Groningen als initiatiefnemer. Het doel van de samenwerking is om projecten op het gebied van energiebesparing en duurzame energie te realiseren. De provincie Groningen wil een evenredige bijdrage leveren aan het nakomen van afspraken over terugdringen van de CO2-emissie.

Hoe krijgen we consumenten zo ver dat ze energie gaan besparen en efficiënter met energie omgaan? Het is een vraag die binnen de energiewereld een grote rol speelt. Er zijn ondertussen 1001 oplossingen voorhanden om energie te besparen in huishoudens en bij kleine ondernemingen: de verwarming een graadje lager, een waterbesparende douchekop, energie zuinig witgoed, slimme meters, een standby killer, enzovoort. Maar waarom blijft het energiegebruik van consumenten stijgen? Het Changing Behaviour project probeert op deze vraag een antwoord te vinden. Consumenten passen hun gedrag niet of minimaal aan. Nu zou men kunnen beargumenteren dat de overheid er voor moet zorgen dat consumenten bijvoorbeeld enkel nog energiezuinige zaken kunnen of moeten aanschaffen. Echter, daarmee is men er nog niet. Zelfs wanneer consumenten hun (aankoop)gedrag aanpassen door bijvoorbeeld spaarlampen of een waterbesparende douchekop aan te schaffen, doet diezelfde consument de winst teniet door de lampen langer te laten branden, meer lampen in huis te plaatsen of langer te douchen; het zogenaamde rebound effect. De vraag is dus hoe zowel het aankoopgedrag alsook het gebruikersgedrag van consumenten duurzaam veranderd kunnen worden. Deze vraag is de kern van het onderzoeksproject ‘Changing Behaviour’ dat in het eerste kwartaal van 2008 van start is gegaan. Zie voor meer informatie het persbericht van ECN of de site van het project.

In het laatste kwartaal van 2008 kan het bedrijfsleven nog steeds met projectvoorstellen komen om de Innovatiagenda Energie uit te voeren. De innovatieagenda werd al op 3 juli door EZ-minister Maria van der Hoeven gepresenteerd en op Prinsjesdag werd er nogmaals aan gerefereerd. In de maanden na de presentatie is door zes betrokken departementen een concreet programma opgesteld hoe de beschikbare €438 miljoen in de komende jaren kan worden besteed. De plaatsvervangend directeur van de Interdepartementale Programmadirectie Energietransitie (IPE) zegt dat de overheid bedrijven wil stimuleren om op het gebied van energie een forse innovatie-impuls te leveren. Met de innovaties moet een reductie van de CO2-uitstoot in de orde van 3 tot 6 Mton mogelijk zijn. Dat is een goede stap in de richting van de 20 tot 40 Mton CO2-reductie die in het werkprogramma Schoon en Zuinig aan innovatie wordt toegerekend. Voor de uitwerking van de programma’s wordt nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de EnergieTransitie-platforms, waarin ook het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zijn vertegenwoordigd. Daarnaast is heeft het Regieorgaan EnergieTransitie op hoofdlijnen een adviserende rol. Eén van de belangrijke thema’s is de ontwikkeling van een ‘bio-based economy’, onder meer in de vorm van Small Business Innovation Research Programs (SBIR’s), waarvan SBIR Verduurzaming Groene Grondstoffen inmiddels is geopend. Een ander gebied binnen het thema duurzame mobiliteit is elektrisch vervoer: wat zijn de mogelijkheden en belemmeringen voor (volledig) elektrisch vervoer in bijvoorbeeld het stedelijk gebied? Ook op het gebied van ketenefficiency valt veel winst te boeken, bijvoorbeeld als het gaat om innovatief gebruik van industriële restwarmte. Ondersteuning van innovatieve warmteprojecten krijgt bijvoorbeeld gestalte via de onlangs geopende SBIR Verduurzaming Warmte en/of Koude in Industrie en via de UKP tender Verduurzaming Warmte en Koude. Er is veel belangstelling voor de Innovatieagenda vanuit het bedrijfsleven.

Uit een onderzoek van UZ3 Onderzoek in opdracht van VNG Magazine met een respons van 26,4% blijkt dat twee van de drie gemeenten speciaal beleid voeren op energiebesparing. Gemeenten hebben in de afgelopen jaren het meest bespaard op beheer, bijvoorbeeld m.b.t. eigen verwarmingssystemen. De helft van de gemeenten heeft een energiecoördinator in dienst. Op de vraag wat de drie meest besparende maatregelen zijn sinds de aanstelling van een energiecoördinator, staat het beheer (monitoring energieverbruik, vervangen van energieslurpende verwarmingssystemen, het beter inregelen van de cv-ketel, duurzame gebouwen) op de eerste plaats met 18 procent, gevolgd door gemeentelijke gebouwen (12 procent) en nieuwbouw (11 procent). Op de vierde, vijfde en zesde plaats volgen respectievelijk interne energiebesparing (spaarlampen), huishoudens en openbare verlichting. Gemeenten verwachten het meeste rendement te halen uit energie in de eigen organisatie (bijna een kwart), gevolgd door straatverlichting. 70 procent van de respondenten probeert het energieverbruik binnen de eigen organisatie naar beneden te brengen. Naast de standaardzaken als betere isolatie, gebruiken gemeenten bijvoorbeeld energiezuinige lampen of gaat de verlichting automatisch uit. Anderen voeren bij de aanschaf van nieuwe apparatuur een energiescan uit. Ook zijn er gemeenten die een energielogboek bijhouden. Ruim eenderde van de respondenten bezuinigt op het brandstofverbruik van het gemeentelijk wagenpark. Het kan daarbij gaan om het gebruik van energiezuinige gemeenteauto’s, elektrische wagens of auto’s op aardgas. Ook worden werknemers op een cursus ‘Het Nieuwe Rijden’ gestuurd. Tweederde van de gemeenten houdt zich bezig met zuiniger straatverlichting. Zo wordt voor led-lampen gekozen of voor zo min mogelijk lampen zonder de verkeersveiligheid in gevaar te brengen. Ook zijn er gemeenten die dimbare verlichting op hoofdweg gebruiken. Meer dan de helft van de gemeenten (65%) doet iets met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.



Terug naar thema Energiebesparing 2008