Algemeen transport

Berichten uit
2009

Uit een onderzoek van de provincie Zuid-Holland en SenterNovem blijkt dat gemeenten in Zuid-Holland het energieverbruik van de openbare verlichting gemiddeld met 18 procent omlaag kunnen brengen door oude lampen te vervangen, lampen korter te laten branden en, waar mogelijk, de verlichting te dimmen.. Deze maatregelen leveren ook een CO2-reductie op van 14.000 ton, een besparing die overeenkomt met het stroomverbruik van 7000 huishoudens. Uit het onderzoek blijkt ook dat vervroegd afschrijven en de investering in nieuwe lampen al in een paar jaar kan worden terugverdiend. Van het energieverbruik bij gemeenten gaat het grootste deel, tussen de 50 en 70 procent, naar openbare verlichting. Bij ongeveer 30 procent gaat het om gedateerde, inefficiënte systemen. De minister van VROM wil dat gemeenten en provincies de komende jaren flinke besparingen doorvoeren bij de openbare verlichting: 15 procent in 2011, 20 procent in 2013 en 30 procent in 2030. De provincie Zuid-Holland heeft zich samen met zes andere provincies sterk gemaakt om dit als eerste te realiseren. De provincie komt binnen enkele maanden met een eigen beleidsprogramma om besparingen door te voeren bij de openbare verlichting van provinciale wegen.

De Tweede Kamer laat in januari weten dat er een bonusregeling moet komen voor mensen die hun oude auto laten slopen. De auto moet ouder zijn dan 9 jaar. De bedoeling is ook dat de eigenaren daarna een nieuwe, schonere auto kopen. CDA, PvdA en VVD zijn voorstander en ook de minister van VROM wil dat de regeling er komt. In Duitsland is het al zover. Daar krijgen mensen die hun oude auto laten slopen €2500. Hoe de regeling er in Nederland uit gaat zien is nog onduidelijk. De minister is nog in onderhandeling met brancheorganisatie Bovag.

In april wordt het ECN-rapport ‘Het transitiebeleid voor duurzame mobiliteit’ gepubliceerd. Het rapport richt zich op de toekomst van het personenvervoer in Nederland. Het is opgesteld in het kader van een bredere scenariostudie over de internationale verankering van het Nederlandse transitiebeleid voor energie en milieu. In de eerste fase van deze studie zijn kwalitatieve transitiescenario’s voor energie en milieu in Europa opgesteld, die de sterke samenhang tussen maatschappelijke ontwikkelingen op mondiaal en Europees niveau en de technologische inrichting van de Europese en Nederlandse energievoorziening in de verre toekomst op contrasterende manier illustreren. Daarbij zijn divergerende ontwikkelingen in de mondiale olieprijzen en het internationale klimaatbeleid als drijvende krachten voor vier uiteenlopende transitiescenario’s gehanteerd. Hiervan is eerder verslag gedaan in het ECN-rapport ‘The Next 50 Years: Four European Energy Futures’. De dramatische fluctuaties in olieprijzen en het uitblijven van duidelijke afspraken voor het post-Kyoto klimaatbeleid sinds het verschijnen van dit rapport in 2005 onderstrepen de actualiteit van de in deze studie centraal gestelde drijvende krachten voor energietransities. In deze tweede fase worden de Europese transitiescenario’s gebruikt voor het evalueren van het transitiebeleid voor duurzame mobiliteit in Nederland. De focus op duurzame mobiliteit is gekozen, omdat de ontwikkeling van de olieprijzen en de voortgang van het klimaatbeleid vooral in de transportsector een fundamentele invloed zullen hebben op de kansen voor innovaties. De inzichten van de kwalitatieve verhaallijnen uit de eerder verschenen Europese scenariostudie zijn daarbij vertaald naar kwantitatieve transitiescenario’s voor duurzame mobiliteit in Nederland. Deze transitiescenario’s illustreren hoe technologische, maatschappelijke en beleidsmatige innovaties in onderlinge samenhang kunnen leiden tot een meer duurzame ontwikkeling van de mobiliteit. Op basis van deze transitiescenario’s wordt de invulling van het huidige transitiebeleid voor duurzame mobiliteit geëvalueerd. Vervolgens wordt een toekomstvisie geformuleerd over beleidsinnovatie voor duurzame mobiliteit, waarin het ontwerp van een robuust innovatieportfolio voor het Nederlandse mobiliteitsbeleid in Europees kader centraal staat. De zeven stappen naar duurzame mobiliteit zijn: (1) Neem olieschaarste serieus: de enorme betekenis van olieprijsontwikkelingen wordt in het transitiebeleid voor mobiliteit ten onrechte verwaarloosd; (2) Stel het niveau van de mobiliteitslasten ter discussie: mobiliteitsbeleid lijkt meer gebaseerd te zijn op de wens om mobiliteitslasten te stabiliseren dan om duurzame mobiliteit te bevorderen; (3) Versimpel duurzaam mobiliteitsbeleid niet tot klimaatbeleid: duurzaam mobiliteit is een complex vraagstuk van talloze, conflicterende doelstellingen waaronder klimaat; (4) Koppel specifieke beleidsinstrumenten aan specifieke beleidsdoelstellingen: de transparantie van fiscale maatregelen moet voor burgers en ondernemers veel groter worden; (5) Voer een CO2-belasting in voor motorbrandstoffen: dit levert minder implementatieproblemen op dan verhandelbare emissierechten en kan bovendien fluctuaties in de olieprijs strategisch opvangen; (6) Stimuleer het innovatieve gedrag van consumenten en burgers: de innovatieve kracht van Nederland wordt te weinig verkend vanuit het perspectief van consumenten en burgers; en (7) Vergroot het concurrerende vermogen van innovatieve brandstofaanbieders: Nederland moet gaan functioneren als duurzame energiepoort voor Europa.

Met de stelling dat het bedrijfsleven mobiliteit duurzaam moet maken opent de minister van Verkeer en Waterstaat in juni de kennisbank Duurzaam op weg. Op de website kunnen professionals en andere belangstellenden kennis opdoen over diverse aspecten van duurzaamheid en mobiliteit en in nieuwsgroepen hun kennis daarover delen en in discussies uitdiepen.

De deelnemers van de Binnenvaart Brandstof CO2mpetitie melden eind oktober dat in het afgelopen halfjaar 3,5 miljoen liter minder brandstof is verbruikt, dat is 12,4% ten opzichte van andere jaren. Daarmee hebben ze tezamen €1,3 miljoen aan brandstofkosten bespaard en ruim 9.000 ton CO2 gereduceerd. Het ging om ruim tachtig schepen, die naast de brandstof- en kostenbesparing ook de titel 'zuinigste schipper' konden verdienen. Overall-winnaars zijn Chemgas van het Groeps- en Rederijenklassement (43,9% besparing), Kotug van het Dienstenklassement (12,8%) en voor het particulierenklassement MS Janny (57%). Alle deelnemers deden hun uiterste best om zo zuinig mogelijk te varen, door optimaal brandstofverbruik ten opzichte van de afgelegde kilometers en vervoerde tonnen lading. De Binnenvaart Brandstof CO2mpetitie stimuleert zuinig varen, maar vormt ook de motor voor de overige programma-onderdelen die een lange termijn effect beogen. Doel van het programma is 5% brandstofbesparing behalen in de binnenvaartsector in 2010. Ook in 2010 wordt er weer een Binnenvaart Brandstof CO2mpetitie georganiseerd.



Terug naar thema Energiebesparing 2009